Tarief van de vennootschapsbelasting

De hervorming heeft als voornaamste effect dat de tarieven in de vennootschapsbelasting gevoelig zijn gedaald. Roel Van Hemelen loodst u door de verschillende fasen.

Kapitaalvermindering anno 2018

Eén van de belangrijkste aspecten van de hervorming is de wijze waarop kapitaalverminderingen worden aangerekend. Vanaf 2018 kan de vennootschap namelijk niet meer kiezen hoe de aanrekening gebeurt.

Autofiscaliteit na de hervorming

Vanaf aanslagjaar 2021 wordt de gehele autofiscaliteit volledig aangepast. Het is dan niet meer mogelijk om autokosten voor meer dan 100% af te trekken. Autokosten zullen nog steeds aftrekbaar zijn in functie van de CO2-uitstoot, maar verder houdt elke vergelijking met het oude systeem op.

Meerwaarden op aandelen

Door de hervorming van de vennootschapsbelasting wordt het stelsel van meerwaarden op aandelen aangepast. Expert Roel Van Hemelen bespreekt alle voorwaarden om de meerwaarde vanaf aanslagjaar 2019 vrij te stellen.

 

 

Hervorming vennootschapsbelasting

Tarief van de vennootschapsbelasting

De verlaging van de vennootschapsbelasting gebeurt in twee fasen. In eerste fase spreken wij over de wijzigingen die zullen plaatsvinden in aanslagjaren 2019 en 2020. Voor wat betreft het tarief vennootschapsbelasting vinden er drie wijzigingen plaats:

  1. het normale tarief vennootschapsbelasting daalt naar 29%;
  2. de aanvullende crisisbijdrage daalt naar 2%;
  3. het verlaagd tarief vennootschapsbelasting neemt totaal nieuwe vormen aan: 20% op de eerste € 100 000,00 belastbaar resultaat.

De vermindering van het normale tarief vennootschapsbelasting van 33% naar 29%, met daarboven de verlaging van de aanvullende crisisbijdrage van 3% naar 2%, zorgt ervoor dat vennootschappen een belastingbesparing zullen realiseren van 4,41% op hun winst. Voor een vennootschap met een belastbaar resultaat van € 100 000,00 betekent dit al gauw meer dan € 4 000,00 minder vennootschapsbelasting, zonder dat er gebruik wordt gemaakt van het verlaagde tarief.

Het complexe systeem van het verlaagd tarief zoals geldt tot en met aanslagjaar 2018, wordt een heel stuk vereenvoudigd. Indien aan alle voorwaarden is voldaan, zullen vennootschappen de eerste € 100 000,00 van hun winst kunnen laten belasten aan een tarief van 20%, in eerste fase nog te verhogen met een aanvullende crisisbijdrage van 2%, waardoor het effectieve tarief op 20,4% uitkomt. De vermindering van het tarief vennootschapsbelasting in eerste fase, gaat in vanaf aanslagjaar 2019, maar alleen voor belastbare tijdperken die starten vanaf 1 januari 2018. Vennootschappen die in de loop van 2017 zijn opgericht, met een eerste verlengd boekjaar tot 31 december 2018, kunnen daarom niet genieten van het verminderde tarief voor het eerste boekjaar. Boekjaren die starten voor 1 januari 2018, maar toch verbonden zijn aan het aanslagjaar 2019, zullen nog steeds de tarieven moeten toepassen die golden voor aanslagjaar 2018.

Vanaf aanslagjaar 2021 daalt het tarief verder naar 25%, samen met een verdere daling van de aanvullende crisisbijdrage van 2% naar 0%. Voor belastbare tijdperken die starten vanaf 1 januari 2020, die verbonden zijn aan aanslagjaar 2021 is het gewone tarief van de vennootschapsbelasting 25%, het verlaagde tarief op de eerste schijf van € 100 000,00 blijft 20 %.

Alles over het tarief in de vennootschapsbelasting in kader van de hervorming van de vennootschapsbelasting ? Dat vindt u op monKEY.

 

Kapitaalvermindering anno 2018

Tot eind 2017 konden kapitaalverminderingen volledig belastingvrij worden uitgekeerd. Vanaf 1 januari 2018 is dit niet langer mogelijk bij vennootschappen die in het kapitaal geïncorporeerde belastingvrije reserves en/of belaste reserves op hun balans staan hebben.

Vanuit vennootschapsrechtelijk standpunt is het nog mogelijk om een kapitaalvermindering door te voeren zonder aan de reserves te raken, fiscaaltechnisch zal een deel van de kapitaalvermindering aangerekend worden op de reserves met roerende voorheffing tot gevolg.

De pro rata-aanrekening wordt berekend met een breuk. In de teller van de breuk staan het gestort kapitaal, de uitgiftepremies en de winstbewijzen die met gestort kapitaal worden gelijkgesteld. In de noemer van de breuk de belaste reserves, de in het kapitaal geïncorporeerde vrijgestelde reserves en al wat er in de teller staat.

Er wordt géén rekening gehouden met:

  • negatieve belaste reserves, andere dan het overgedragen verlies
  • niet in het kapitaal geïncorporeerde vrijgestelde reserves
  • herwaarderingsmeerwaarden, voor zover ze niet uitgekeerd kunnen worden
  • onderschattingen van activa/overschattingen van passiva,
  • de liquidatiereserve en bijzondere liquidatiereserve
  • wettelijke reserve ten belope van het wettelijke minimum.

Gestort kapitaal + gelijkgestelde uitgiftepremies en winstbewijzen

Gestort kapitaal + gelijkgestelde uitgiftepremies en winstbewijzen + belaste reserves + geïncorporeerde vrijgestelde reserves

  • % kapitaalvermindering zonder RV
  • Rest: aan te rekenen op de fiscale reserves (RV)

De vastgeklikte reserves blijven gewoon genieten van hun gunstregime. Er zal dus geen RV moeten worden betaald bij de uitkering, als de houdperiode van vier jaar (kmo’s) of acht jaar (grote vennootschappen) wordt gerespecteerd.

De terugbetalingen van kapitaal worden in de eerste plaats aangerekend op 537-kapitaal. Een terugbetaling van kapitaal die alleen is aangerekend op 537-kapitaal wordt niet beoogd door deze maatregel.

De nieuwe regeling is van toepassing op beslissingen tot kapitaalvermindering genomen vanaf 1 januari 2018. Een beslissing die al genomen werd in december 2017, maar pas wordt uitgevoerd na 1 januari 2018 wordt dus nog afgewikkeld volgens de oude regels.

Tip:

Deze nieuwe regeling kan als gevolg hebben dat er een groot verschil optreedt tussen de fiscale reserves en de boekhoudkundige reserves. De wetgever laat echter wel toe om aan heel deze ingewikkelde berekening te ontsnappen, door op voorhand zelf de berekening te maken, en er zelf voor te opteren om (ook boekhoudkundig en vennootschapsrechtelijk) een deel kapitaalvermindering te doen, gecombineerd met een deel dividenduitkering. Als hier de verhouding gerespecteerd wordt, zoals die ook zou moeten worden toegepast bij een zuivere kapitaalvermindering, hoeft er geen roerende voorheffing op het kapitaal te worden berekend. U heeft het immers zelf al opgedeeld.

Alles over de kapitaalvermindering anno 2018? Dat vindt u op monKEY.

 

Autofiscaliteit na de hervorming

Tot voor aj. 2007 waren autokosten in de vennootschap voor 75 % aftrekbaar. Brandstofkosten waren zelfs voor 100 % aftrekbaar.  Vanaf 1 april 2007 kwam er een opdeling van de aftrekbaarheid op basis van de CO2-uitstoot, die in 2010 nog verder werd uitgediept.   Sinds 2010 is het mogelijk om de kosten van auto’s met minder dan 60gr CO2 voor 100 % af te trekken. Personenwagens die helemaal geen CO2 uitstoten, meestal de zuivere elektrische wagens, kunnen zelfs voor 120 % in kost worden genomen. Ook brandstofkosten zijn sindsdien niet langer 100 % aftrekbaar, maar worden altijd beperkt aan 75 %, ongeacht de CO2-uitstoot van de wagen.

Vanaf aanslagjaar 2021 wordt de gehele autofiscaliteit volledig aangepast. Het is dan niet meer mogelijk om autokosten voor meer dan 100 % af te trekken. Autokosten zullen nog steeds aftrekbaar zijn in functie van de CO2-uitstoot, maar verder houdt elke vergelijking met het oude systeem op. Daar waar er onder het oude systeem twee verschillende schalen werden gebruikt, eentje voor dieselwagens en eentje voor benzinewagens, wordt er in het nieuwe systeem slechts één berekening gebruikt. Het gaat weliswaar enkel om aanpassingen aan het regime van de personenwagens. Het regime van de andere voertuigen, zoals o.a. het regime van de lichte vrachtwagens, blijft ongewijzigd.

Hoe concreet het aftrekprecentage berekenen ?

De autokosten zullen dus vanaf aj. 2021 aftrekbaar zijn ten belope van 120% - 0,5% per gram aangepaste CO2-uitstoot. De aangepaste CO2-uitstoot is de officiële CO2-uitstoot voor dieselwagens, voor aardgasauto’s, de zogenaamde CNG-wagens met minder dan 12 fiscale PK is de aangepaste CO2-uitstoot 90% van de officiële CO2-uitstoot, en voor alle andere wagens gaat het om 95% van de officiele CO2-uitstoot.  De maximum-aftrekbaarheid wordt steeds beperkt tot 100 %, en de minimum-aftrekbaarheid is 50%, tenzij de officiële CO2-uitstoot van de wagen méér dan 200 gram per kilometer is, dan valt men terug op een aftrekbaarheid van 40%.

Dit regime zal ervoor zorgen dat de aftrekbaarheid van de meeste auto’s sterk zal dalen. Zo zal een VOLVO V40 D2, die op dit moment nog 90% aftrekbaar is, vanaf aanslagjaar 2021 nog slechts 75,75% aftrekbaar zijn.

Sinds de zomer van 2017 is ook de term “valse hybride” aan het licht gekomen. Plug-in hybride wagens met een meestal zeer lage officiële CO2-uitstoot, worden in normale omstandigheden veel minder optimaal gebruikt. Deze wagens gaan veel minder voordeel halen uit deze hybride technologie dan in de testcyclus die door de fabrikanten wordt gebruikt. Waardoor de officiële CO2-uitstoot zeer ver verwijderd ligt van de effectieve CO2-uitstoot. Vandaar dat ook deze wagens worden aangepakt.

Plug-in hybride wagens met een batterij capaciteit van minder dan 0.5 kWh per 100kg leeggewicht, of een officiële CO2-uitstoot van meer dan 50 gram per kilometer, dienen in de berekeningsformule niet hun officiële CO2-uitstoot mee te nemen, maar de CO2-uitstoot van een niet hybride, vergelijkbaar model. Indien er geen vergelijkbaar model kan worden gevonden, moet de officiële CO2-uitstoot vermenigvuldigd worden met 2.5.

Voorlopig hebben de valse hybrides dus nog een voordelige aftrek, maar vanaf AJ 2021 zullen ze hun eigen, officiële CO2-uitstoot niet meer mogen gebruiken. Dit geldt zowel voor de fiscale aftrekbaarheid als voor de berekening van de voordelen alle aard voor deze wagens. Wanneer deze wagens echter voor 1 januari 2018 zijn aangekocht of besteld, mogen zij ook vanaf AJ 2021 hun officiële CO2-uitstoot blijven verder gebruiken, deze wagens zullen niet als valse hybride worden aanzien, ook al voldoen ze niet aan voldoende batterij capaciteit of voldoen ze niet aan de maximum CO2-uitstoot.  Zo zakt bijvoorbeeld de populaire Volvo XC90 van een fiscale aftrekbaarheid van 100% terug op een fiscale aftrekbaarheid van 50% vanaf 1 januari 2020. Dit voor zover deze wagen na 1 januari 2018 is aangekocht.

Alles over de autofiscaliteit ná de hervorming? Dat vindt u op monKEY.

 

Meerwaarden op aandelen

Door de hervorming van de vennootschapsbelasting wordt het stelsel van meerwaarden op aandelen aangepast.

Voor de aanslagjaren 2019 en 2020 wordt eerst en vooral het afzonderlijke tarief van 0,4% afgeschaft. Dit tarief gold voor meerwaarden op aandelen verwezenlijkt door grote vennootschappen, meer dan één jaar na aankoop. Door deze afschaffing kunnen meerwaarden op aandelen opnieuw volledig worden vrijgesteld, zelfs als deze verwezenlijkt worden door grote vennootschappen.  Daarnaast worden de voorwaarden voor de vrijstelling van meerwaarden op aandelen volledig afgestemd op die van de dbi-aftrek. Zo moet men vanaf aanslagjaar 2019, naast de taxatievoorwaarde en de houdperiode, ook aan de participatievoorwaarde voldoen om de meerwaarde te kunnen vrijstellen.

Wat houden deze voorwaarden nu concreet in ?

De taxatievoorwaarde houdt in dat het moet gaan om meerwaarden op aandelen van vennootschappen die niet gelegen zijn in een belastingparadijs. De vennootschappen waarin men participeert dienen met andere woorden onderworpen te zijn aan een normaal belastingregime. Men kan niet spreken over een normaal belastingregime wanneer het gaat om situaties waarin het gemeenrechtelijk nominaal tarief van de vennootschapsbelasting lager is dan 15 % of wanneer het gemeenrechtelijke effectieve belastingtarief dat met de werkelijke belastingdruk overeenstemt minder is dan 15 %. Daarnaast dient voldaan te zijn aan de houdperiode, wat wil zeggen dat de aandelen gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom moeten worden behouden.

De laatste en nieuwe voorwaarde is de participatievoorwaarde: de vennootschap moet in het bezit zijn van minstens 10 % van de aandelen van de dochteronderneming. Indien geen 10 % in het bezit is, is het ook voldoende als kan worden aangetoond dat de beleggingswaarde of de aanschafswaarde van de aandelen minstens 2 500 000,00 euro bedraagt.

Indien aan alle drie de voorwaarden is voldaan, wordt de meerwaarde volledig vrijgesteld.

Als aan de participatievoorwaarde of de taxatievoorwaarde niet is voldaan, zal het normale regime vennootschapsbelasting van toepassing zijn, zijnde 29,58% of zelfs het verlaagde KMO-tarief 20,40%. Indien deze voorwaarden wel voldaan zijn, maar enkel de minimum houdtermijn niet voldaan is, geldt nog steeds het afzonderlijke tarief van 25%, in aanslagjaar 2019 en 2020 nog te verhogen met 2% crisisbijdrage, waardoor het tarief op 25,50% terecht komt. Uiteraard mag men er steeds voor kiezen om het KMO tarief van 20.40% toe te passen indien men aan deze voorwaarden voldoet, aangezien dit tarief voordeliger is.

Vanaf aj. 2021 wordt het afzonderlijk tarief van 25% geschrapt. Dit tarief heeft geen zin meer omdat het tarief in de vennootschapsbelasting vanaf aj. 2021 ook gelijk is aan 25%. Voldoet men niet aan de voorwaarden van de dbi-aftrek (namelijk zowel de taxatievoorwaarde, de participatievoorwaarde, als de houdperiode), dan zal de meerwaarde gewoon belastbaar zijn aan het tarief in de vennootschapsbelasting.

Meer weten over het stelsel van meerwaarden op aandelen vanaf aj. 2019? monKEY vertelt u er alles over.