Zeven niet-fiscale artikels die iedere fiscalist moet kennen

Als fiscalist bent u uiteraard vertrouwd  met het WIB92, het WBTW en de KB’s ter uitvoering van deze wetboeken. U weet uw weg te vinden in het MIGB of in de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF). En zelfs het douanewetboek heeft geen geheimen voor u. Maar daarmee weet u nog niet alles. Er zijn ook nog heel wat niet-fiscale wetsartikels die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Wij lijsten zeven (niet-fiscale) artikels op die iedere fiscalist in de vingers zou moeten hebben.

Artikel 170 Grondwet: het legaliteitsbeginsel

Om maar even te beginnen met één van de grondvesten van onze fiscaliteit, duiken we meteen in de artikel 170 van de Grondwet. Dit artikel verankert namelijk het legaliteitsbeginsel. Kort weg kan het verwoord worden met de bekende Engelse uitdrukking “No taxation without representation”. 

In België kan, net als in de meeste andere landen, een belasting alleen ingevoerd worden door een beslissing van een verkozen orgaan. Het kan een federale wet  zijn (gestemd door de Kamer of Kamer en Senaat)  een decreet (van het Vlaams parlement, het parlement van het Waals Gewest, het parlement van de Franse Gemeenschap of van de Duitstalige Gemeenschap) of een ordonnantie van het Brussels parlement. Ook op lokaal vlak geldt dit principe. Een provinciale belasting kan enkel worden ingevoerd door de provincieraad (en niet door de bestendige deputatie) en een gemeentebelasting enkel door de gemeenteraad (en niet door het college van burgemeester en schepenen).

Een belasting die wordt ingevoerd door de uitvoerende macht (bv. de regering) in plaats van door de wetgevende macht (het parlement) is ongrondwettig en dus niet geldig.

Alle essentiële elementen van de belasting (de belastingplichtigen, de belastbare materie, de belastbare grondslag, het tarief) moeten in de wet staan. De niet-essentiële elementen mogen wel verder uitgewerkt worden in andere bepalingen, bv. in koninklijke besluiten of ministeriële besluiten.

Artikel 15 W.Venn.:  een kleine vennootschap

 

Voor kleine vennootschappen gelden er heel wat bijzondere regels in het Belgisch fiscaal landschap, o.a.: de mogelijkheid tot het aanleggen van een liquidatiereserve, de gewone investeringsaftrek aan 8 %, geen toepassing van 0,4 % meerwaardebelasting op aandelen, hoger tarief notionele interestaftrek.

Wat een kleine vennootschap precies is, wordt evenwel niet in het WIB92 gedefinieerd. Je vindt er wel de definitie van vennootschap terug, maar niet van ‘klein’. Voor die afbakening moeten we naar het Wetboek van Vennootschappen grijpen, dat drie criteria opsomt. Criteria die sinds 1 januari 2016 trouwens werden aangepast. ‘Klein’ zijn vennootschappen die op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar niet meer dan één van de volgende criteria overschrijden:

  • omzet (excl. btw): 9.000.000 EUR;
  • balanstotaal: 4.500.000 EUR;
  • jaargemiddelde van het personeelsbestand: 50.

De regel dat een vennootschap met meer dan 100 werknemers automatisch ‘groot’ is, is niet langer van toepassing.  Bovendien werd de regel ook zo aangepast dat de overschrijding van meer dan één van deze drempels vanaf nu nog slechts gevolgen zal hebben als deze zich gedurende twee opeenvolgende boekjaren voordoet. Een eenmalige overschrijding van twee drempels maakt een vennootschap dus niet groot.

De wet van 11 april 1994: openbaarheid van bestuur

De administratie (al dan niet van de fiscus) houdt heel wat documentatie bij. Burgers hebben het recht om deze documenten in te zien, er uitleg over te krijgen en er een afschrift van te krijgen. In principe moet een aanvrager geen belang aantonen om inzage te krijgen in documenten. Om een document van persoonlijke aard in te zien, heeft men wel een belang nodig. Een document van persoonlijke aard is een document dat een beoordeling of een waardeoordeel bevat van een met naam genoemd of makkelijk identificeerbaar natuurlijk persoon, bv. examenresultaten, een benoeming. Met andere woorden als men uit het dossier kan afleiden over wie het gaat, wordt het moeilijker om inzage te krijgen. Een aanvrager heeft normaal gezien altijd het vereiste belang als hij inzage vraagt in zijn eigen dossier. Met andere woorden: het is makkelijk om je eigen dossier in te zien, en men moet heel wat grondiger redenen hebben om het dossier van een buurman te mogen inkijken.

Ook de dossiers van de fiscus vallen onder de openbaarheid van bestuur. Als een belastingplichtige een aanslag in de bus krijgt waar hij het niet mee eens is, of een bericht van wijziging, mag hij zijn dossier gaan inkijken. Zo kan de belastingplichtige te weten komen waarop de fiscus zich voor de aanslag baseert en de eigen verdediging opbouwen.

Naast de (federale) wet van  11 april 1994 heeft Vlaanderen een eigen Vlaams Decreet van 26 maart 2004 dat recht op inzage verleent van documenten bij de Vlaamse administraties.

Ter volledigheid: naast de hierboven vermelde wet die de passieve openbaarheid regelt (openbaarheid op vraag van de burger), is er ook nog actieve openbaarheid, waarbij de overheid uit eigen initiatief haar onderdanen inlicht over haar doen en laten.

Wet van 29 juli 1991: formele motivering

Sinds de jaren negentig zijn administratieve overheden verplicht hun beslissingen formeel te motiveren. Dit wil zeggen dat ze in hun beslissing moeten meegeven op basis van welke feitelijke en juridische redenen de beslissing werd genomen. De motiveringsverplichting geldt voor alle eenzijdige, administratieve rechtshandelingen met een individuele strekking. Reglementen die op een algemene wijze voor alle burgers (of een categorie van burgers) gelden, vallen niet onder de motiveringsplicht. Met andere woorden: een beslissing om iemand een bouwvergunning te weigeren moet de gemeente formeel motiveren, het invoeren van een nieuw belastingreglement voor alle inwoners van de gemeente moet niet formeel gemotiveerd worden.

Bovendien moet een motivering ‘afdoende’ zijn, het is dus niet voldoende dat het beslissende bestuur een standaardformule gebruikt.

Reden van de motiveringsplicht is dat de burger op wie de beslissing slaat gronden moet hebben waar hij zich op kan baseren om de beslissing aan te vechten.

Ook in het fiscaal recht is deze motiveringsplicht van toepassing o.a. op het weigeren of toestaan van een aanvraag tot het verlengen van de termijn voor het indienen van een aangifte en het toepassen van belastingverhogingen. Het bericht van wijziging en de aanslag van ambtswege vallen niet onder de wet van 29 juli 1991. Dat betekent echter niet dat deze beslissingen van de fiscus niet gemotiveerd zouden moeten worden.  De wet is enkel niet van toepassing omdat het WIB92 zelf al strengere motiveringsregels oplegt. Deze redenering geldt trouwens steeds: als een andere regel (wet, decreet, KB) strengere motiveringsregels oplegt aan het bestuur, dan zijn steeds de strengste regels van toepassing (en niet de algemene wet van 1991).

Artikel 107 VWEU: verboden staatssteun

Dit artikel kwam onlangs nog ruim aan bod in de media toen de Europese Commissie oordeelde dat de Belgische excess profit rulings verboden staatssteun uitmaakten.

Eerlijke mededinging tussen alle ondernemingen is een belangrijke pijler van de Europese Unie. Het is immers cruciaal om het ideaal van de interne markt te verwezenlijken. Om eerlijke mededinging te helpen realiseren, werd in het VWEU (dat is het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) een verbod op staatssteun ingeschreven.

Het verbod houdt in dat de lidstaten geen staatssteun mogen geven aan specifieke ondernemingen, waardoor die een onrechtmatig voordeel krijgen ten opzichte van andere ondernemingen. Het verbod moet met andere woorden vermijden dat lidstaten de eigen ondernemingen zouden bevoordelen tegenover ondernemingen uit andere lidstaten.  Staatssteun kan verschillende vormen aannemen: een subsidie (bv. bij invoer of uitvoer), of een belastingvoordeel (bv. een ruling zoals een excess profit ruling waardoor bepaalde ondernemingen bijna geen belasting moeten betalen).

De Europese Commissie houdt toezicht op de naleving van dit verbod.

Niet elke staatssteun is verboden. Het VWEU bevat criteria om na te gaan of bepaalde steun als verboden staatssteun kan worden aangemerkt. Het gaat om steun:

  • die bekostigd is met staatsmiddelen;
  • die bepaalde ondernemingen of bepaalde producties begunstigt;
  • en daarmee de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen;
  • en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.

Dit lijken eenvoudige criteria, maar in de praktijk zijn ze voer voor heel wat discussie. Dat mag al blijken uit de uiteenlopende mening tussen België en de Commissie over de vraag of de excess profit rulings verboden staatssteun zijn.

Artikel IV.70 Wetboek Economisch Recht: mededingingsboeten

In het WER of Wetboek Economisch Recht zijn heel wat bepalingen samengebracht die vroeger in diverse wetten terug te vinden waren. Het bevat onder meer regels over handelsrecht, intellectuele eigendom en consumentenrechten.
Hoewel een fiscalist ook kaas gegeten moet hebben van economisch recht, is dit wetboek minder bekend. Toch is er één bepaling uit het wetboek die u niet uit het oog mag verliezen: artikel IV.70.  Dit artikel beschrijft de boetes die kunnen worden opgelegd door het Belgische Mededingingscollege. In paragraaf 3 van het bewuste artikel wordt er fijntjes aan toegevoegd dat de opgelegde boetes en dwangsommen fiscaal niet aftrekbaar zijn als beroepskosten. Het is toch wel opmerkelijk dat een artikel met zo’n fiscale impact niet in het WIB92 is opgenomen.

Artikel 569, 32° Ger.W.: fiscale geschillen voor de rechtbank van eerste aanleg

Wie een geschil heeft met de fiscus (bv. een belastingplichtige die het niet eens is met de hem opgelegde aanslag), moet in de eerste plaats aankloppen bij de fiscus zelf met zijn bezwaren. Als er na deze bezwaarprocedure nog steeds geen overeenstemming is. Als de belastingplichtige het dus niet eens is met het oordeel van de gewestelijk directeur, kan hij nog altijd naar de rechtbank stappen.

Het is het Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt welke rechtbank bevoegd is. Die bevoegdheid valt uiteen in de materiële bevoegdheid en de territoriale bevoegdheid. Artikel 569, 32° kent de materiële bevoegdheid om uitspraak te doen over geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet toe aan de rechtbank van eerste aanleg. Volgende vraag is dan of de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen, Bergen, Gent, Hasselt, Leuven, Luik, Namen of één van de vele anderen bevoegd is. Dat hangt af van waar de belasting geïnd moet worden: territoriaal bevoegd is namelijk de rechtbank die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar de belasting moet worden geïnd of waar de belasting werd gevestigd. Om het makkelijk te maken vindt u deze territoriale bevoegdheid niet terug in artikel 569,32 ° Ger.W. maar in artikel 632.

Wil u over één of meerdere van deze diverse onderwerpen meer informatie dan kan u altijd terecht bij onze online databank monKEY. Nog geen toegang tot monKEY? Dan vindt u hier meer informatie .

Gepubliceerd op 02-03-2016

  634