Zeven artikels die iedere fiscalist moet kennen

Er zijn van die wetsartikels die iedere fiscalist uit het hoofd kent, of althans uit het hoofd zou moeten kennen. Van die artikels die steeds opnieuw weer opduiken. Ongetwijfeld komt u er ook op bijna dagelijkse basis mee in aanraking. Als kennismaking voor de beginnende fiscalist of als opfrissing voor de rijpere vakgenoot, sommen we er enkele uit deze lijst nog eens op.

Artikel 2 WIB92: de definities

Het fiscaal recht staat of valt bij het correct afbakenen van het toepassingsgebied van elke belasting. Om dat te kunnen moeten de begrippen met een (potentieel) fiscale betekenis duidelijk gedefinieerd worden. Voor de inkomstenbelastingen gebeurt dat door artikel 2 WIB92.

In dat artikel leren we onder andere dat een rijksinwoner een natuurlijke persoon is die zijn woonplaats of zetel van zijn fortuin in België heeft gevestigd. Maar evenzeer ook wat immateriële activa, thesaurievennootschappen, gehuwden, vastrentende effecten en juridische constructies zijn.

Althans we leren de fiscale betekenis van al die begrippen kennen, want die kan soms afwijken van de gangbare betekenis in het dagdagelijkse leven en zelfs het gewone juridisch taalgebruik.

Artikel 18, 4°WIB92: herkwalificatie van interest in dividend

In sommige gevallen kan het ene inkomen fiscaal in het andere inkomen veranderd worden. Zo wordt de overdreven huur die een bedrijfsleider aanrekent aan zijn vennootschap gedeeltelijk als bezoldiging belast. Met andere woorden: een onroerend inkomen wordt geherkwalificeerd in een beroepsinkomen.

Een klassieke toepassing hiervan is de herkwalificatie van interesten in dividenden op basis van artikel 18, 4° WIB92. Ook hier weer worden bedrijfsleiders geviseerd. In dit geval wanneer ze een lening (de wet gebruikt hier de term rentegevende voorschotten) verstrekt aan haar vennootschap. Wat er precies onder een geldlening moet begrepen worden (bv. rekening-courant?) blijft voor discussie zorgen.

De herkwalificatie mag trouwens enkel toegepast worden als (i) de aangerekende rente niet marktconform is (hogere rente dan de marktrente) of (ii) als het totaal van de rentegevende voorschotten hoger is dan de som van de belastbare reserves bij het begin van het belastbare tijdperk en het gestort kapitaal bij het einde van dit tijdperk.

Artikel 344 WIB92: de antimisbruikbepaling

Misschien wel het meest befaamde artikel is de algemene antimisbruikbepaling van artikel 344 WIB92. op basis waarvan de fiscus fiscale constructies als misbruik kan kwalificeren en de gevolgen ervan kan negeren. Het is hét wapen van de fiscus tegen belastingontduiking.

Volgens deze regel is er fiscaal misbruik als een belastingplichtige middels de door hem gestelde rechtshandeling(en) één van de volgende verrichtingen tot stand brengt: (i) een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van het WIB92 of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst of (ii) een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van het  WIB92 of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Met andere woorden de fiscus wil vermijden dan een belastingplichtige ontsnapt aan belasting die hij zou moeten betalen of dat hij een fiscaal voordeel krijgt waar hij eigenlijk geen recht op heeft.

De regel draait de bewijslast om. Dit wil zeggen dat als de fiscus oordeelt dat er sprake is van fiscaal misbruik, het aan de belastingplichtige is om het tegendeel te bewijzen. Hij moet aantonen dat de gekozen verrichting door andere dan fiscale motieven, wordt verantwoord. Als de belastingplichtige daar niet in slaagt, zal de fiscus handelen alsof de verrichting niet heeft plaatsgevonden. De belastingplichtige ondergaat dan de fiscale behandeling waar hij in de eerste plaats aan wou ontsnappen of verliest het fiscaal voordeel dat hij hoopte te genieten.

Artikel 4 WBTW: wie is btw-belastingplichtig

Het begrip belastingplichtige speelt een centrale rol in ons btw-systeem. Een duidelijke definitie is dan ook cruciaal. Artikel 4 WBTW definieert een belastingplichtige als “eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend.”

Over dit artikel alleen al zou je een boek kunnen schrijven, maar wij houden het vandaag wat korter.

Uit de definitie kunnen de essentiële kenmerken van een belastingplichtige worden afgeleid: (i) hij oefent een economische activiteit uit, (ii) op een geregelde en (iii) zelfstandige wijze en (iv) deze activiteit bestaat uit het leveren van goederen of het verrichten van diensten.

De volgende stap is dus uitzoeken wat een economische activiteit is. Dat zijn alle activiteiten van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter. Het is de exploitatie van een (on)lichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.

Artikel 21 WBTW: lokalisatie van diensten

Er is slechts Belgische btw verschuldigd als een dienst in België plaatsvindt. Artikel 21 regelt op een gedetailleerde wijze waar welke dienst plaatsvindt. In de eerste plaats wordt er een onderscheid gemaakt tussen diensten verricht voor andere belastingplichtigen of B2B (art. 21) en diensten voor consumenten of B2C (art. 21bis).

Hoofdregel in B2B-relaties is dat de dienst plaatsvindt waar de afnemer gevestigd is: een Franse dienstverlener die een opdracht uitvoert voor een Belgische klant moet dan ook Belgische btw aanrekenen; omgekeerd moet een Belgische dienstverrichter die een dienst levert voor een Duitse belastingplichtige klant, Duitse btw aanrekenen.

Er gelden echter een hele reeks uitzonderingen, o.a. voor (i) diensten m.b.t. onroerende goederen (ii) personenvervoer, (iii) culturele, sportieve en wetenschappelijke evenementen, (iv)restaurant- en cateringdiensten.
Hoofdregel in B2C-relaties is, omgekeerd, dan weer de plaats waar de dienstverrichter gevestigd is. Met andere woorden een Franse dienstverrichter die een opdracht doet voor een Belgische particulier zal Franse btw aanrekenen, en de Belgische dienstverrichter die een dienst levert aan een Duitse particulier, rekent Belgische btw aan.

Ook hier weer zijn er heel wat uitzonderingen.

Artikel 7 W.Succ. (nu 2.7.1.0.5. VCF): schenking binnen drie jaar voor overlijden

Ook binnen de successierechten bestaan er klassiekers. Zoals artikel 7 W.Succ., in Vlaanderen opgedoekt en vervangen door artikel 2.7.1.0.5. Vlaamse Codex Fiscaliteit, met ongeveer dezelfde inhoud.

Goederen die een overledene drie jaar voor zijn overlijden heeft geschonken, behoren nog tot de nalatenschap. Resultaat: de erfgenamen zullen er successierechten, of in nieuwere termen ‘erfbelasting’, over moeten betalen.

Als de schenking al belast werd met registratierechten (schenkbelasting), zal de fiscus niet nog eens langs de kassa passeren. In dat geval hoeft de ontvanger niet nog eens te betalen.

Voor schenkingen van aandelen en activa van familiale ondernemingen kan de Vlaamse belastingdienst zelfs zeven jaar terug gaan.

Het is dus van belang dat een schenking een vaste dagtekening krijgt, zodat de begiftigde kan bewijzen dat de schenking meer dan drie jaar geleden heeft plaatsgevonden. Dat kan via een Belgische notaris, waarbij dan schenkbelasting wordt betaald.  Het kan ook via een Nederlandse notaris, waarbij geen registratierechten verschuldigd zijn. In dat geval blijft wel het risico bestaan dat er toch nog erfbelasting verschuldigd wordt als de schenker binnen de drie jaar overlijdt.

Artikel 5 OESO-modelverdrag: de vaste inrichting

Winsten van een buitenlandse onderneming zijn in principe enkel in het buitenland belastbaar. Dat is echter niet zo als die buitenlandse onderneming winsten behaalt in België met behulp van een vaste inrichting. Deze regel staat in artikel 7 van het OESO-modelverdrag (en de door België afgesloten dubbelbelastingverdragen). Deze verdragen zijn er op gericht internationale dubbele belastingen (of dubbele niet-belasting) te vermijden.

Over wat dan precies een vaste inrichting is, zijn al doctoraten geschreven. Artikel 5 geeft een definitie, maar lost toch niet alle vragen op. In feite zijn er drie types vaste inrichting. Eerst en vooral de materiële vaste inrichting: een fabriek, een filiaal, een kantoor. Daarnaast is er de personele vaste inrichting: een afhankelijke vertegenwoordiger van een onderneming in een ander land, die voor de ondernemingen overeenkomsten kan afsluiten. Sommige auteurs zien nog een derde type: diensten vaste inrichting.

Wil u over één of meerdere van deze diverse onderwerpen meer informatie dan kan u altijd terecht bij onze online databank monKEY. Nog geen toegang tot monKEY? Dan vindt u hier meer informatie.

De wetteksten zelf kan u nalezen in onze wetboeken, o.a.. het Wetboek van de Inkomstenbelastingen.

WIB

   

   


Gepubliceerd op 03-02-2016

  550