Wie belast wat na de zesde staatshervorming?

De, ondertussen beruchte, zesde staatshervorming heeft een niet te onderschatten fiscale impact. Naast de federale overheid zullen nu immers ook de drie gewesten gedeeltelijk bevoegd worden voor de personenbelasting. Een hervorming die allicht nog ingrijpender is voor de belastingberekening dan de vorige grote hervorming van de PB in 2001 (met o.a. doorvoering van de decumul). In deze eerste bijdrage schetsen we voor u de algemene beginselen van de nieuwe bevoegdheidsverdeling. In een tweede artikel gaan we dieper in op de gevolgen voor de woonfiscaliteit, met een bijzondere focus op de woonbonus.

Een nieuw wettelijk kader

De nieuwe regels in de personenbelasting zijn gestoeld op twee wetten. Enerzijds is er de ‘bijzondere wet tot hervorming van de financiering van de gemeenschappen en gewesten, tot uitbreiding van de fiscale autonomie van de gewesten en tot de financiering van de nieuwe bevoegdheden’. Deze wet heeft het algemene kader voor de nieuwe bevoegdheden uitgetekend. Daarnaast komt de ‘wet tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992’. Deze wet zal de nodige bepalingen bevatten om het WIB92 aan de nieuwe bevoegdheden aan te passen. Deze wet zit nog in ‘ontwerpfase’, maar zou voor de zomer door het federaal parlement moeten worden goedgekeurd. Er kunnen dus nog kleine wijzigingen volgen (in het geval er nog amendementen worden ingevoerd), maar de regeling zal grotendeels worden zoals ze hieronder wordt uitgelegd.

Dit alles treedt al in werking op 1 juli 2014.

De personenbelasting: nog steeds een federale belasting

Een eerste belangrijke opmerking: de personenbelasting blijft in se federaal. Het is de federale overheid die bevoegd blijft voor de bepaling van de belastbare grondslag en de tarieven in de PB. Dit betekent bijvoorbeeld dat de beoordeling van wat ‘beroepskosten’ zijn, enkel aan het federale niveau toekomt.

Daarnaast blijft het federale niveau bevoegd voor de inning en invordering, voor de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing en voor de geschillenprocedure.

Maar ook de gewesten mogen belasten: via opcentiemen

De gewesten mogen binnenkort opcentiemen heffen op de ‘gereduceerde belasting Staat’. Die gereduceerde federale belasting wordt berekend door de ‘autonomiefactor’ af te trekken van de PB. Deze ‘autonomiefactor’ is wettelijk vastgelegd op 25,99 %. Op dat resultaat mogen dan opcentiemen geheven worden. Het tarief van de opcentiemen bedraagt (voorlopig) 35,117 %, maar dat tarief mag later door de gewesten zelf verhoogd of verlaagd worden.

Voorbeeld

De federale PB bedraagt 100. De gereduceerde belasting Staat (PB) bedraagt 100 – 25,99 = 74,01. Hierop heft het bevoegde gewest 35,117 % opcentiemen. Dus: 74,01 × 35,117 = 25,99 gewestelijke belasting (PB).

Hoever gaat de bevoegdheid van de gewesten: tarief van de opcentiemen differentiëren

Het tarief van de opcentiemen bedraagt voorlopig 35,117 %, maar de gewesten mogen hierin wel gaan differentiëren. Zolang ze een aantal uitgangspunten maar respecteren:

  1. Opcentiemen moeten steeds procentueel zijn: een gewest kan niet kiezen om een vast bedrag als opcentiemen te innen.
  2. De progressiviteit van de personenbelasting mag niet doorbroken worden. Voor een concreet cijfervoorbeeld hierover, zie K. JANSSENS, “Gedeeltelijke regionalisering personenbelasting goedgekeurd, Fisc.Act. 2013, afl. 44, 4.
  3. De gewesten mogen elkaar geen deloyale fiscale concurrentie aandoen: de gewesten mogen niet gaan concurreren met ‘lage’ opcentiemen om zo belastingplichtigen uit andere gewesten naar hun gewest te lokken. 
  4. Op de meeste roerende inkomsten en enkele diverse inkomsten mogen de gewesten geen opcentiemen heffen (zij worden dan ook niet ‘gereduceerd’). Het betreft volgende limitatief opgesomde inkomsten: interesten, dividenden, inkomsten uit verhuring en concessie van roerende goederen (bv. royalty’s), belastbare meerwaarden op aandelen, inkomsten uit lotenleningen, meerwaarden op andere roerende waarden die op basis van artikel 90, 1° WIB92 belastbaar zijn. DUS: op bv. auteursrechten betaalt men wel opcentiemen.

Hoever gaat de bevoegdheid van de gewesten: belastingverminderingen enzovoort

Naast het heffen van opcentiemen, zijn de gewesten exclusief bevoegd om belastingverminderingen (forfaitair of procentueel), terugbetaalbare belastingkredieten (forfaitair of procentueel) en forfaitaire kortingen toe te staan. Ze mogen ook procentuele belastingvermeerderingen invoeren. Op dit vlak kan de federale overheid dus niet meer optreden.

De toegestane belastingverminderingen moeten natuurlijk wel passen binnen andere (niet-fiscale) gewestelijke bevoegdheden:

  • PWA- en dienstencheques;
  • beveiliging van woningen tegen inbraak en brand;
  • energiebesparende uitgaven voor woningen (daar blijft momenteel enkel de dakisolatie van over);
  • leningsuitgaven voor de eigen woning (hierop gaan we in een volgende bijdrage verder in);

Andere belastingverminderingen, die aansluiten bij federale bevoegdheden, blijven federaal: pensioensparen, giften, kosten voor kinderoppas, overwerk, leningsuitgaven voor de niet-eigen woning. Deze bevoegdheden zijn dan weer niet exclusief. Dus de gewesten mogen bijkomende fiscale stimuli invoeren.

Welk gewest is bevoegd?

Het wordt dus cruciaal te weten welk gewest bevoegd is. Zowel om te weten wie de opcentiemen mag heffen van de belastingplichtige als om te weten op welke belastingverminderingen hij recht heeft.

De werkelijke verblijfplaats op 1 januari van het aanslagjaar primeert. Daarnaast bestaat het weerlegbaar vermoeden dat de woonplaats daar is waar de belastingplichtige gedomicilieerd is. In geval van betwisting is het de federale administratie die beslist. Bij verschil in werkelijke woonplaats en domicilie, krijgt de werkelijke woonplaats de voorkeur.

Voorbeeld 1

Jan woont in Brussel, maar hij is officieel nog gedomicilieerd bij zijn ouders in Antwerpen. Jan zal Brusselse opcentiemen betalen ( = de werkelijke woonplaats is doorslaggevend).

Voorbeeld 2

Bert en Marie wonen in Hasselt. In november 2014 verhuizen ze naar Luik. Op 1 januari 2015 (aanslagjaar voor de inkomsten van 2014) wonen zij dus in het Waals Gewest, waar zij opcentiemen zullen betalen, ook al werd het leeuwendeel van het inkomen in Vlaanderen behaald ( = de woonplaats op 1 januari van het aanslagjaar is doorslaggevend).

Voor belastingplichtigen die samen belast worden (gehuwden en wettelijk samenwonenden) geldt de woonplaats van het gezin. Voor het jaar van de feitelijke scheiding krijgen de gehuwden nog een gemeenschappelijke aanslag. Het gewest van hun laatste echtelijke verblijfplaats is bevoegd om opcentiemen te heffen, dit wil zeggen de plaats waar het gezin gevestigd was.

Voorbeeld 3

Johan en Erica zijn gehuwd, ze wonen met hun twee kinderen in Gent. In de loop van 2014 gaan zij uit elkaar. Johan gaat in augustus 2014 in Brussel wonen (op 1 januari van het aanslagjaar woont hij dus in een ander gewest). Toch zal voor 2014 het Vlaams Gewest opcentiemen mogen heffen, zowel op het inkomen van Erica als dat van Johan.

Enkele correcties

De criteria om de heffingsbevoegdheid te verdelen, spelen een beetje in het nadeel van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Brussel is immers voornamelijk een werkgewest (waar veel mensen werken, maar in verhouding minder wonen), en telt daarnaast ook veel internationale ambtenaren. Voor deze twee groepen (pendelaars en internationale ambtenaren) krijgt Brussel een compensatie.

En wat met de gemeenten?

Die kunnen gewoon hun gemeentelijke opcentiemen (de aanvullende gemeentebelasting) blijven heffen. Het tarief daarvan varieert per gemeente van 0 % tot 9 %. Omdat de gemeentelijke opcentiemen worden berekend op zowel het federale als het gewestelijke deel van de PB, worden dat dus deels opcentiemen op opcentiemen.

Meer weten? Jef Wellens, PB-specialist van Kluwer, geeft nog enkele seminaries over “De zesde staatshervorming. Aardverschuiving in de personenbelasting”. Hij gaat dieper in op de achtergrond van de hervorming en geeft met talrijke cijfervoorbeelden de concrete impact voor belastingplichtigen aan.

Meer info, klik hier.

Gepubliceerd op 20-03-2014

  657