Welke ficties spelen in de successierechten?

hand holding money

Het Belgische successierecht kent vele fictiebepalingen. Hierbij worden rechtshandelingen die onder levenden gebeuren, behandeld als een overdracht na overlijden. Hierdoor wordt de nalatenschap ‘fictief’ groter gemaakt, zodat er ook meer successierechten moeten betaald worden. We lichten enkele fictiebepalingen kort toe.

De fictiebepalingen zorgen er voor dat goederen die niet langer tot het vermogen van de erflater horen (bv. omdat hij ze al heeft weggeschonken), fictief toch tot de nalatenschap gaan horen, zodat er wel successierechten op betaald moeten worden. Deze ficties werken enkel door in fiscalibus. Dit wil zeggen: burgerrechtelijk maken deze goederen geen deel uit van de nalatenschap, omdat ze al naar het vermogen van de begiftigde zijn overgegaan.

De meeste fictiebepalingen zijn in feite specifieke antimisbruikbepalingen, ingevoerd om te vermijden dat een erflater door het stellen van bepaalde ‘verdachte’ rechtshandelingen zijn nalatenschap zou verkleinen (bv. door goederen weg te geven zonder daar een vorm van belastingen - registratierechten of successierechten - op te betalen). Deze handelingen zijn natuurlijk extra verdacht als ze kort voor het overlijden plaatsvinden: dan lijkt het duidelijker dat er eigenlijk geen animus donandi (de wil om te schenken) aanwezig is, maar eerder de wil om het goed nu al vrij van successierechten aan de latere erfgenamen te geven.

Schuldbekentenis = legaat?

Een schulderkenning die enkel bij uiterste wil (in een testament) gebeurt, wordt beschouwd als legaat. Deze bepaling werd ingevoerd om te vermijden dat een erflater in zijn testament plots zou erkennen dat hij nog schulden heeft t.o.v. enkele van zijn erfgenamen. Vaak zullen deze schulden er in werkelijkheid immers niet zijn. Zelfs als de overledene wel degelijk schulden heeft bij één van de erfgenamen, wordt deze uiterste schulderkenning fiscaal met een legaat gelijkgesteld. Burgerrechtelijk behoudt de schuld wel zijn karakter van schuld.

Hoe kan men dit vermijden? De erfgenaam/legataris kan aantonen dat er een andere titel (bv. een contract) bestaat waaruit de schuld voortvloeit.

Voorbeeld

Jan leent aan zijn vriend Willem 10.000 euro. Vlak voor zijn overlijden maakt hij een testament op waarin hij erkent dat hij Willem inderdaad nog 10.000 euro schuldig is. Als er geen overeenkomst bestaat, zal de 10.000 euro als legaat worden beschouwd. Willem zal er dus successierechten op moeten betalen. [De fiscus wil hier vermijden dat Jan in zijn testament zou schrijven dat hij Willem nog 10.000 euro verschuldigd is, terwijl dat helemaal niet het geval is, en zo Willem 10.000 euro kan geven vrij van successierechten.]

Stel dat Jan en Willem bij het afsluiten van de lening dit wel op papier hebben gezet: in dat geval kan dit contract als tegenbewijs gelden. De schuld wordt immers niet langer ‘enkel’ bij laatste wil erkend, maar ook in een onder levenden opgemaakt geschrift (het contract). De fictie geldt niet meer en de schuld blijft een schuld, die zelfs van de nalatenschap kan worden afgetrokken.  

Ongelijke verdeling van de huwelijksgemeenschap

Echtgenoten beschikken over tal van mogelijkheden om via hun huwelijkscontract wijzigingen aan te brengen in de verdeling van hun huwelijksgemeenschap. Zo kunnen echtgenoten gehuwd onder het stelsel van gemeenschap van goederen bv. afspreken dat de volledige huwelijksgemeenschap zal toekomen aan de langstlevende echtgenoot. Op deze manier ‘erft’ de langstlevende echtgenoot burgerrechtelijk niets van zijn overleden partner, omdat de langstlevende al eigenaar is van het ganse vermogen.

Ook deze toewijzing heeft fiscale gevolgen. Al wat de langstlevende echtgenoot verkrijgt boven de helft van het gemeenschappelijk vermogen, wordt aan het successierecht onderworpen. Er wordt met andere woorden gehandeld alsof de toewijzing van het gehele vermogen aan de langstlevende echtgenoot niet is gebeurd. Zonder die specifieke toewijzing, is de langstlevende eigenlijk maar eigenaar van de helft van het gemeenschappelijk vermogen. Fiscaal gezien zal hij de andere helft dus eerst moeten ‘erven’ van de overledene en er successierechten op betalen. Dit terwijl deze meerontvangst in principe aan de successierechten zou moeten ontsnappen, aangezien de overlevende deze goederen verkrijgt (heeft verkregen) op basis van een overeenkomst onder levenden.

Schenking tijdens verdachte periode

Goederen die de overledene geschonken heeft binnen de drie jaar voor het overlijden, worden geacht toch deel uit te maken van de nalatenschap. Er is geen tegenbewijs mogelijk. De erfgenamen kunnen wel aantonen wie de begiftigde van deze schenking was. Deze wordt daardoor als bijzondere legataris aangemerkt.

Schenkingen die al aan registratierechten werd onderworpen, zijn al belast en worden niet nogmaals aan de successierechten onderworpen.

Voorbeeld

Willem schenkt 10.000 euro aan zijn enige zoon Bert. Hij doet dit via een authentieke akte bij een notaris. Bert betaalt op dat moment 3 % registratierechten (300 euro). Zes maanden later overlijdt Willem onverwacht. Deze 10.000 euro maakt geen deel uit van de nalatenschap, ook al gebeurde de schenking tijdens de verdachte periode. Er werden immers al schenkingsrechten betaald.

Een bijzonder geval: de afwezige

De afwezige is de persoon die “is opgehouden te verschijnen waar hij zijn woonplaats of verblijfplaats heeft” en waarvan men geen nieuws meer ontvangt. Men weet met andere woorden niet of hij nog leeft of reeds overleden is. Daarin onderscheidt een afwezige zich van een vermiste (bij een vermiste weet men zeker dat de persoon overleden is, maar vindt men het lijk niet, bv. een slachtoffer van een vliegtuigongeluk).

Wanneer men drie maanden lang geen nieuws verneemt en de persoon in kwestie gedurende die periode niet meer verschijnt in zijn woonplaats, kan de rechtbank een vermoeden van afwezigheid vaststellen. Vijf jaar na dit vonnis of als men zeven jaar lang geen nieuws hoort, kan de rechtbank een verklaring van afwezigheid uitspreken. Vanaf de overschrijving van deze verklaring in de registers van de burgerlijke stand, wordt de afwezige geacht overleden te zijn. De gewone burgerrechtelijke en fiscale regels die bij een overlijden gelden (wie is er erfgenaam, welke formaliteiten moeten er vervuld worden, welk tarief is toepasselijk) zijn ook hier van toepassing.

Naast de hierboven genoemde fictiebepalingen, vermeldt het Wetboek Successierechten er nog enkele andere, o.a. overdrachten ten bezwarende titel met voorbehoud van vruchtgebruik.

Fiscaal Compendium successierechten U leest alles over de fictiebepalingen en veel meer in het boek “Successierechten” uit de reeks Fiscaal Compendium dat recent bij Kluwer is verschenen. Van dezelfde auteur, Jos Ruysseveldt, verscheen recent het boek “De fiscale gids over schenken en erven”, waarin u heel wat praktische informatie vindt over deze materie. 
 

Gepubliceerd op 18-10-2012

  605