Waarom volgens de fiscus vergoedingen voor een managementvennootschap soms niet aftrekbaar zijn

Er bestaat in het Belgisch fiscaal recht niet echt een definitie van de managementvennootschap. Dat hoeft ook niet, want de managementvennootschap is geen vennootschapsvorm waarvoor specifieke vennootschapsrechtelijke, sociaalrechtelijke of fiscale regels gelden.  Het begrip verwijst immers niet naar de vorm van de vennootschap (dat kan bv. een nv, bvba of vof zijn), maar naar het doel, de activiteit van de vennootschap. Toch roept de managementvennootschap een aantal specifieke fiscale vragen op. Wij gaan op zoek naar antwoorden.

Enkele vragen rond de managementvennootschap

  • Heeft het nog wel zin om te werken met een managementvennootschap?
  • Moet de vennootschap haar winsten uitkeren of niet? 
  • Moet de vennootschap als ‘orgaan’ of als ‘aannemer’ werken voor de exploitatievennootschap? 
  • Kan de fiscus de antimisbruikbepaling inroepen? 
  • De managementvergoeding als beroepskost?

Wij concentreren ons daarbij op de laatste vraag.

Managementvergoeding: (niet) aftrekbaar als beroepskost

De administratie bestrijdt het toekennen van (te) hoge managementvergoedingen aan managementvennootschappen door de exploitatie- of werkvennootschap. Dat doet ze door aftrek als beroepskost te weigeren van de betaalde vergoedingen. Daarvoor baseert ze zich op artikel 49 WIB92.

Dit artikel somt vier voorwaarden op, die moeten vervuld zijn, om een kost als beroepskost te kunnen aftrekken:

  • de kosten moeten tijdens het belastbare tijdperk gedaan of gedragen zijn;
  • om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden;
  • de kosten moeten voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid noodzakelijk zijn;
  • de echtheid en het bedrag van de kosten moet verantwoord zijn door middel van bewijsstukken.

Managementfees getoetst aan voorwaarden voor aftrekbaarheid

Op de vraag of de kosten gedragen zijn tijdens het belastbare tijdperk gaan we niet verder in.

Het is vrij evident dat de vergoedingen van managers worden betaald om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. Even logisch is het dat de kost van deze vergoeding een noodzakelijk verband heeft met de werkzaamheid van de vennootschap. Een vennootschap moet namelijk gemanaged worden, daarvoor heb je een manager nodig (een natuurlijk persoon of een managementvennootschap) en die manager moet daar voor worden vergoed. Conclusie: een vennootschap heeft een manager nodig om te kunnen werken en om belastbare inkomsten te kunnen verwerven.

De fiscus hanteert echter meestal een ander wapen in haar strijd tegen overdreven managementvergoedingen: de echtheid van de kosten. De administratie probeert dan aan te tonen dat de managementvennootschap geen werkelijke prestaties heeft geleverd ten voordele van de exploitatievennootschap.

In principe zou een regelmatige factuur voldoende moeten zijn als bewijs voor de echtheid van de kosten. De fiscus, daarin gesteund door een deel van de rechtspraak, is vaak echter strenger en aanvaardt een factuur slechts als begin van bewijs. Dat betekent dat de factuur nog met allerhande andere bewijselementen moet worden aangevuld. Andere bewijsstukken aanvoeren is echter niet zo vanzelfsprekend. De prestaties van een manager zijn immers niet tastbaar: vergaderen, plannen, delegeren,  controleren,…Hoe moet een belastingplichtige aantonen dat de managementvennootschap deze diensten werkelijk gepresteerd heeft?  

Nota bene: als de vergoeding wordt betaald, zonder dat er een werkelijke tegenprestatie tegenover staat, zijn de andere voorwaarden in feite ook niet vervuld. Als de managementvennootschap geen echte managementdiensten heeft gepresteerd, is haar vergoeding immers niet betaald om belastbare inkomsten te verkrijgen, noch noodzakelijk voor het uitoefenen van de werkzaamheid van de exploitatievennootschap. 

Zijn managementvergoedingen dan nooit als beroepskost aftrekbaar?

Toch wel. De rechtspraak is het niet altijd eens met de (te strenge) houding van de fiscus. Zo oordeelde het Gentse hof van beroep “(dat) het nu eenmaal een realiteit is dat ondernemingen tegenwoordig geleid worden door managers die de beleidsbeslissingen nemen, instructies geven aan personeelsleden op het werkveld en daarop supervisie houden”. Het hof van beroep van Antwerpen concludeert dan weer dan het aan de fiscus toekomt om aan te tonen dat de gefactureerde vergoedingen niet overeenstemmen met werkelijke prestaties. De administratie moet daar zelf de nodige bewijzen voor hebben, en mag niet zomaar de aftrek van de kosten weigeren: dan zou ze zich immers schuldig maken aan een verboden opportuniteitsoordeel. Het is immers in principe de enkel vennootschap zelf die over de opportuniteit van haar kosten mag oordelen.

Er zijn echter eveneens veel arresten die de  fiscus wel gelijk geven.

Conclusie: hoewel managementvergoedingen volgens de letter van de wet wel aftrekbaar kunnen zijn, ligt de fiscus soms dwars. Het is bovendien moeilijk om een duidelijke lijn te trekken in de rechtspraak. Dit alles leidt helaas tot heel wat rechtsonzekerheid.

Alles over managementvergoedingen en nog veel meer over het wat en hoe van de managementvennootschap kan u lezen in het boek De managementvennootschap van P. SALENS. De auteur behandelt niet enkel de fiscaalrechtelijke aspecten, maar ook de sociaalrechtelijke (de managementvennootschap en de RSZ), de vennootschapsrechtelijke (werken als ‘orgaan’ of als ‘aannemer’) en de burgerrechtelijke (aansprakelijkheid van de vennootschap).

Gepubliceerd op 20-03-2013

  519