Voorschotten en vereffening vennootschap anno 2014: fiscus haalt de botte bijl boven

Gepubliceerd op 23-10-2017

We nemen u even terug naar een nog niet zo ver verleden. Herinner u het jaar 2014. Dividenden werden reeds belast aan 25 %. Liquidatieboni genoten echter nog van het verlaagd tarief van 10 %. Daar kwam een einde aan op 1 oktober 2014. Vanaf die datum waren ook die laatsten​ ​onderworpen​ ​aan​ ​het​ ​tarief​ ​van​ ​25 %.

Om aan dit hoge tarief te ontsnappen bestond er geen mirakeloplossing: enkel een vereffening voor 1 oktober 2014 bood de nodige zekerheid. De wetgever voorzag daarnaast wel in een ingewikkeld en omslachtig alternatief om al te veel vereffeningen van vennootschappen te voorkomen: de zogenaamde interne liquidatie overeenkomstig artikel 537 WIB92 (uitkering dividenden aan 10 % om deze onmiddellijk terug in kapitaal in te brengen). Toch​ ​werden​ ​in​ ​de​ ​praktijk​ ​heel​ ​wat​ ​vennootschappen​ ​vereffend.

Halsoverkop vereffenen? Haast en spoed is zelden goed...

Het toepasselijke tarief wordt bepaald in functie van de datum waarop de liquidatiebonus wordt verleend​ ​of​ ​toegekend.​ ​Tot​ ​30​ ​september​ ​2014​ ​moest​ ​dus​ ​10 %​ ​betaald​ ​worden.​ ​Daarna​ ​25 %.

In de praktijk komt het echter vaak voor dat een verdeling stapsgewijs gebeurt en dat dus in de loop van de vereffening één of meer voorschotten worden toegekend. Wat gebeurde er dan met een voorschot dat werd uitgekeerd voor 1 oktober 2014 maar waarbij de vereffening pas na 1 oktober 2014 definitief werd afgesloten? Welk tarief was daarop van toepassing : 10 % of 25 %?

De minister van Financiën gaf destijds een duidelijk antwoord op die vraag: “Voorschotten op dividenden moeten als dividenden worden aangemerkt.” Dat heeft tot gevolg dat “de toekenning of betaalbaarstelling van dergelijke voorschotten de roerende voorheffing verschuldigd maakt, ongeacht of die voorschotten al dan niet worden toegekend door een vennootschap in vereffening.” Ten aanzien van voorschotten op liquidatieboni, bedraagt “de aanslagvoet van de roerende voorheffing, hetzij 10 %, hetzij 25 %, naargelang die voorschotten zijn verleend of toegekend voor of na 1 oktober 2014”; althans “onder voorbehoud van gevallen waarin er mogelijkerwijze sprake zou kunnen zijn van misbruik”. “Onder hetzelfde voorbehoud”​ ​is​ ​“het​ ​ogenblik​ ​waarop​ ​de​ ​vereffening​ ​wordt​ ​afgesloten,​ ​daarbij​ ​zonder​ ​belang.”

Het antwoord van de minister was duidelijk en de druk was van de ketel. Voorschotten die werden toegekend of betaalbaar gesteld voor 1 oktober 2014 zouden worden onderworpen aan het tarief van 10 %. Wanneer de vereffening zou worden afgesloten, bleef zonder belang. Halsoverkop vereffenen en de vereffening afgesloten krijgen voor 1 oktober 2014 was dus niet langer nodig. De minister gaf de ondernemer, diens raadgever en de notarissen dus wat meer tijd.

In de praktijk werd vastgesteld dat vele voorschotten werden toegekend of betaalbaar gesteld, maar ze werden daarom nog niet effectief betaald. Vele vennootschappen hadden hier nog niet de middelen toe omdat de vereffeningswerkzaamheden nog moesten aanvatten. Andere vennootschappen hadden mogelijk wel de middelen, maar een effectieve uitkering of betaling was niet nodig. De effectieve uitbetaling kon op een later tijdstip gebeuren, daar de minister immers duidelijk was in zijn antwoord: het ogenblik van toekenning of betaalbaarstelling is bepalend.

Buiten de waard gerekend

De fiscale administratie denkt hier echter heel anders over. Zij geeft een heel andere draagwijdte aan het antwoord van de minister en neemt de vertraging waarmee de vereffeningsdossiers​ ​werden​ ​afgehandeld​ ​nu​ ​in​ ​dank​ ​af.

Vandaag stellen we vast dat de fiscus een systematische controle uitoefent op alle voorschotten die werden toegekend of betaalbaar gesteld voor 1 oktober 2014. Het merendeel van​ ​deze​ ​voorschotten​ ​wordt​ ​vandaag​ ​alsnog​ ​belast​ ​aan​ ​25 %!

De administratie steunt zich bij haar taxatie op het feit dat de vennootschap de facto geen voorschotten heeft uitgekeerd omdat deze niet effectief uitbetaald zijn geweest voor 1 oktober 2014. De uitbetaling is pas op een later tijdstip gebeurd, met name op een tijdstip waarop het tarief van 25 % reeds in voege was getreden (dikwijls bij de afsluiting van de vereffening).

Dergelijke taxaties gaan lijnrecht in tegen het beginsel dat een uitkering van dividenden (of een voorschot op een liquidatiebonus) belastbaar is op het ogenblik van de toekenning of betaalbaarstelling​ ​en​ ​dus​ ​niet​ ​wanneer​ ​ze​ ​effectief​ ​worden​ ​uitbetaald.

De fiscus voelt zich daarbij gesterkt door de interpretatie van het begrip voorschot als zijnde een som geld die vervroegd moet betaald worden en die bijgevolg alleen kan bestaan door de betaling​ ​ervan.

Identieke werkwijze

De administratie gaat bij het vestigen van de betrokken taxaties steeds op dezelfde wijze te werk. Zo verzendt zij vooreerst een bericht van wijziging in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2015 (het jaar waarin de vennootschap in vereffening werd gesteld). Hierbij​ ​wordt​ ​het​ ​uitgekeerde​ ​dividend​ ​teruggedraaid,​ ​door​ ​het​ ​op​ ​te​ ​nemen​ ​onder​ ​de​ ​reserves.

Voor het jaar waarin het dividend daadwerkelijk werd uitbetaald, verstuurt de administratie eveneens een bericht van wijziging, waarin dan de reserves worden verminderd en een dividenduitkering wordt toegevoegd. In beide berichten van wijziging wordt consequent een​ ​belastingverhoging​ ​van​ ​10 %​ ​opgelegd.

Daarnaast wordt een kennisgeving van aanslag van ambtswege opgestuurd, waarbij de daadwerkelijke uitbetalingen onderworpen worden aan de roerende voorheffing van 25 %. Er wordt hierbij slechts een belastingverhoging van 0 % opgelegd. In bepaalde dossiers gaat de administratie zelfs zo ver om per effectief uitbetaalde som, een kennisgeving van aanslag​ ​van​ ​ambtswege​ ​te​ ​versturen.

Noteer dat de administratie in sommige dossiers de uitgekeerde sommen bruteert om de verschuldigde roerende voorheffing te berekenen. Dit is vanzelfsprekend niet correct, aangezien dit leidt tot een situatie waarbij er meer wordt belast dan het netto-actief dat werd uitgekeerd.

De botte bijl...

Op het voorschot had de vennootschap reeds 10 % ingehouden. Welnu, enige verrekening met de 25 % extra te betalen is niet mogelijk. Wel is de administratie meestal zo vriendelijk om u erop te wijzen dat u kan trachten een terugbetaling te bekomen van deze 10 % op grond van artikel​ ​368​ WIB92.​ ​Of​ ​u​ ​die​ ​10%​ ​effectief​ ​zal​ ​terugkrijgen,​ ​is​ ​een​ ​andere​ ​vraag...

Besluit

  1866