Voordelen van alle aard en btw: over optellen, aftrekken en vermenigvuldigen…

berekeningDe btw die u betaalt op goederen die u zowel privé als beroepsmatig gebruikt is niet volledig aftrekbaar. Dat is al zo sinds een wetswijziging van eind 2010. In de praktijk levert deze aftrekbeperking heel wat problemen op. We lichten kort toe en focussen daarbij op het gemengd gebruik van bedrijfswagens. De administratie heeft daar eindelijk meer uitleg over gegeven.

 

Wat en waarom

Aanleiding van de ellende is Europese regelgeving (richtlijn 2009/162/EU van de Raad van 22 december 2009) en rechtspraak van het Europese Hof van Justitie, die daarna vertaald is in een wijziging van ons nationale Btw-Wetboek (WBTW), meer bepaald artikel 45.

Artikel 45 WBTW regelt de aftrekbaarheid van de btw: iedere belastingplichtige mag van de belasting die hij verschuldigd is (die hij zelf moet doorstorten naar de Schatkist), de belasting in aftrek brengen die van hem geheven is over de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen, (…). Met andere woorden: de btw die een belastingplichtige betaalt voor goederen, diensten en bedrijfsmiddelen die behoren tot zijn beroepsvermogen en die hij inzet voor zijn economische activiteit, kan hij recupereren via zijn aangifte.

Het komt echter vaak voor dat een goed dat tot het bedrijf behoort, door de belastingplichtige ook voor privédoeleinden wordt gebruikt, of voor de privédoeleinden van zijn personeel of voor andere doeleinden. In dat geval spreken we van gemengd gebruik. Het is eigenlijk vrij logisch dat de belastingplichtige de btw op dat privégedeelte niet mag aftrekken. Wat betreft het privégebruik is hij immers een gewone consument, die de btw moet dragen.

Het gewijzigde artikel 45 § 1quinquies WBTW schrijft dan ook voor dat de belastingplichtige de btw geheven van goederen en diensten slechts in aftrek mag brengen in verhouding tot het gebruik van die goederen "voor de doeleinden van zijn economische activiteit." 

In de praktijk is de toepassing van deze regel echter niet zo eenvoudig.

 

Problemen in de praktijk?

In feite doet het gemengd gebruik (beroepsmatig en privé) zich vooral voor bij de terbeschikkingstelling door een onderneming van een goed (roerend of onroerend) aan de zaakvoerder of een werknemer. Voor de ontvangende zaakvoerder/bedrijfsleider of het personeelslid vormt deze terbeschikkingstelling in principe een voordeel van alle aard. In de personenbelasting zal hij er op belast worden, daar het als een deel van de bezoldiging wordt aanzien.

Vroeger werd de terbeschikkingstelling gelijkgesteld met een belaste dienst die de onderneming leverde aan zijn zaakvoerder/personeelslid, waardoor de privégebruiker, zoals iedere andere consument, er btw op moest betalen. De onderneming kon dan de btw op dit goed volledig aftrekken. Nu kan dat niet meer. In plaats van btw te heffen op het voordeel, is de aftrek van de belasting beperkt: de btw op het privé gebruikte deel is niet meer aftrekbaar voor de onderneming.

Voor een juiste btw-behandeling is het dus cruciaal correct te bepalen hoe groot het beroepsmatig en het privégebruik precies zijn.

 

Onroerende goederen

Voor onroerende goederen is de verdeling tussen het beroeps- en privédeel meestal nog vrij eenvoudig te maken: er kan gekeken worden naar de oppervlakte van beide delen.

 

Wagens

De kosteloze terbeschikkingstelling van wagens levert echter heel wat meer problemen op.

Voor we verdergaan, moeten we twee belangrijke punten in herinnering brengen:

  • de btw-aftrek op kosten i.v.m. personenwagens is in principe al beperkt tot 50 % op basis van een andere bepaling van het WBTW. Volgens de minister van Financiën wordt enkel de hoogste aftrekbeperking toegepast: dit betekent dat bij een beroepsgebruik van meer dan 50 % de algemene aftrekbeperking voor autokosten (50 %) van toepassing is – als het privégebruik meer dan 50 % bedraagt wordt de hier besproken beperking (van art. 45§ 1quinqiues) toegepast;
  • naast echte privéverplaatsingen, wordt ook woon-werkverkeer fiscaal als een privéverplaatsing gezien.

Hoe werkt de aftrekbeperking precies:

 

Voorbeeld 1

Een vennootschap koopt in de loop van 2011 een wagen voor 50 000 euro en betaalt daarop 10 500 euro btw. De wagen wordt ter beschikking gesteld van de zaakvoerder. Het totaal van zijn privéverplaatsingen bedraagt 60 % van het totaal aantal afgelegde kilometers. Dit wil zeggen dat 40 % van de betaalde btw aftrekbaar is. De vennootschap kan 4 200 euro btw recupereren.

Dezelfde beperking tot 40 % geldt ook voor de andere kosten die de btw-plichtige doet met betrekking tot deze wagen: brandstof, herstellingen, onderhoud...

De algemene beperking voor autokosten tot 50 % hoeft niet meer toegepast te worden, aangezien de aftrek al beperkt is tot 40 % in functie van het privégebruik.

Als er iets aan het gebruik van de wagen verandert, moet er een herziening plaatsvinden.

 

Voorbeeld 2

De zaakvoerder uit voorbeeld 1 verhuist in 2012 naar de andere kant van het land. Hierdoor stijgt zijn woon-werkverkeer, maar dalen zijn andere privékilometer: waardoor zijn privégebruik stijgt tot 75 %. Het beroepsgedeelte zakt nu dus van 40 % naar 25 %.

Voor elk jaar dat deze wijziging geldt, moet de belastingplichtige zijn aftrek ‘herzien’ ten belope van 1/5.

Dat komt neer op: de aftrek die hij heeft gedaan (40 % of 4 200 euro) verminderd met de aftrek waar hij werkelijk recht op heeft in functie van zijn beroepsgebruik (25 % of 2 625 euro). En dat resultaat gedeeld door 5.

De formule wordt dan: [(10 500 x 40 %) – (10 500 x 25 %)] x 1/5 = 315 euro.

Deze 315 euro werd teveel afgetrokken en moet teruggestort worden aan de Schatkist.Als de zaakvoerder of werknemer voor het gebruik van de wagen een vergoeding moet betalen, is de terbeschikkingstelling uiteraard wel een belastbare dienst, waardoor de problematiek van de aftrekbeperking beroeps/privé niet speelt. Het feit dat de zaakvoerder/werknemer arbeid levert voor de onderneming, wordt door de administratie niet als tegenprestatie (vergoeding) van de terbeschikkingstelling beschouwd.

 

Meer uitleg in addendum

De administratie beloofde eind 2011 al om te komen met een addendum bij haar zienswijze en meer uitleg te geven over de berekeningswijze van het privégedeelte (btw-beslissing E.T.119.650/3 van 11 december 2012).

In de voorbeelden hierboven werd geschetst hoe de aftrekbeperking werkt als een wagen gemengd gebruikt wordt. Daarmee weten we echter nog niet hoe nu het aandeel beroepsgebruik/privégebruik concreet moet bepaald worden. De administratie stelt hiervoor drie methoden voorop...

  1. Rittenadministratie: de belastingplichtige moet een uitgebreide administratie bijhouden en voor iedere beroepsmatige rit de volgende gegevens noteren: datum, begin- en eindadres, aantal afgelegde kilometers per rit, totaal aantal kilometers per dag. Het totaal van de beroepskilometers, zoals die blijkt uit de rittenadministratie, moet dan worden afgezet tegen het totaal aantal afgelegde kilometers tijdens de periode (dat totaal kan worden aangetoond door de kilometerstand van de wagen op te schrijven bij het begin en het einde van de relevante periode, meestal een kalenderjaar).

     

    Voorbeeld

    Uit de rittenadministratie blijkt dat een zaakvoerder 9 000 beroepskilometers heeft gedaan. De kilometerstand bij het begin van het jaar bedraagt 12 000 kilometer en op het einde van het jaar 34 500. Dat jaar heeft de zaakvoeder dus 22 500 kilometer gereden met de bedrijfswagen, waarvan 9 000 of 40 % (9 000/22 500) beroepsmatig.

  2. Een formule met een forfait: (afstand woonplaats-werk x 2 x 200 + 6 000)/totale afstand

    De ‘6 000’ is een forfait die de andere privékilometers dan het woon-werkverkeer vertegenwoordigt. Let op: met deze formule berekent u het privégebruik.

    De ‘200’ stelt het aantal werkdagen voor waarop de zaakvoerder woon-werkverplaatsingen doet: vakantie- en ziektedagen, en occasioneel thuiswerk zitten hier al in verdisconteerd.

    Als een wagen pas in de loop van het jaar in gebruik wordt genomen moeten de ‘6 000 kilometer’ en de ‘200 werkdagen’ pro rata temporis in aanmerkingen genomen worden. Dus als u de wagen koopt in het midden van het jaar: ca. 3 000 km en 100 dagen.

     

    Voorbeeld

    Een werknemer woont op 15 km van zijn werk. In het totaal legt hij jaarlijks 20 000 km af. Zijn privégebruik bedraagt (15 x 2 x 200 + 6 000)/20 000 = 60 %. Het beroepsgebruik bedraagt ook hier 40 %.

  3. Een algemeen forfait van 35 %: dit forfait mag enkel toegepast worden door ondernemingen die een wagenpark met minstens vier wagens hebben. Wie voor dit forfait kiest, moet het minstens vier jaar toepassen.

Voor methode (1) en (2) moet bij het in gebruik nemen van de wagen een raming gebeuren onder toezicht van de administratie. Als blijkt dat het werkelijke beroepsaandeel van de raming afwijkt moet er een herziening gebeuren (zie voorbeeld hierboven). Bij methode (3) wordt er geen herziening toegepast.

Methode (3) kan niet met de andere methodes gecombineerd worden. Methode (1) en (2) gelden echter per auto. Een onderneming kan dus best voor wagen A methode (1) toepassen en voor wagen B methode (2).

 

Vanaf wanneer toepassen?

Eigenlijk zijn de regels al van toepassing sinds 1 januari 2012 (zoals aangekondigd door de circulaire van 20 oktober 2011).

Gelukkig geldt er wel een overgangsregeling: vanaf 2013 geldt het nieuwe systeem ten volle. Voor 2012 mag u de oude berekeningsregels blijven toepassen. Wie het nieuwe systeem al vanaf 2012 wil toepassen mag dat ook.

 

Nota bene

Volgens de Europese regel moest deze nieuwe aftrekbeperking enkel toegepast worden op gemengde gebruikte onroerende goederen. De lidstaten hebben echter de mogelijkheid gekregen de aftrekbeperking ook uit te breiden tot andere bedrijfsmiddelen. België heeft geopteerd om daarvan gebruik te maken. Deze keuze is allicht de wortel van vele problemen...

Fiscale praktijkboeken indirecte belastingen 2012-2013

Meer achtergrondinformatie en talrijke andere voorbeelden bij deze problematiek vindt u in de bijdrage van J. OPREEL: "De nieuwe regels inzake btw-aftrek en voordelen van alle aard" in Fiscaal Praktijkboek Indirecte belastingen 2012-2013. Dit boek bevat daarnaast teksten over o.a. successieplanning na de nieuwe antimisbruikbepaling, de overdracht van familiale ondernemingen,… In dezelfde reeks verschijnt eveneens het Fiscaal Praktijkboek Directe Belastingen.

 

 

Gepubliceerd op 12-12-2012

  492