Vijf jaar WCO: een groeiende rol voor de cijferberoeper

De WCO, de wet op de continuïteit van de ondernemingen, bestaat dit jaar vijf jaar. En in die vijf jaar is de WCO al vijf keer gewijzigd. Een laatste aanpassing kwam er met de wet van 27 mei 2013. Naast een verruiming en verduidelijking van de toepassing van de regels, werd de rol van de economische beroepsbeoefenaars versterkt.

Bert Bekaert en Johan Lemmens bekeken met een kritische bril de gegevensverzameling, het handelsonderzoek en het verzoek tot gerechtelijke reorganisatie en verwerkten hun opmerkingen in een artikel voor  Accountancy & Bedrijfskunde. We duiden op TaxWorld de gegevensverzameling en verwijzen naar Accountancy & Bedrijfskunde voor de volledige problematiek en verduidelijking ervan.

Een belangrijke vernieuwing die er namelijk door de wet van 27 mei 2013 is gekomen is dat er naast de traditionele gegevensverzameling – de griffie van de rechtbank van koophandel moet alle nuttige inlichtingen en gegevens verzamelen van de schuldenaren waarvan de financiële moeilijkheden van die aard zijn dat ze de continuïteit van de onderneming in gevaar brengen – nu een bijkomende gegevensverzameling via de economische beroepsbeoefenaars plaatsvindt.

Artikel 10, 5e lid WCO dat deze bijkomende gegevensverzameling invoert, luidt als volgt:
De externe accountant, de externe belastingconsulent, de externe erkend boekhouder, de externe erkend boekhouder-fiscalist en de bedrijfsrevisor die in de uitoefening van hun opdracht gewichtige en overeenstemmende feiten vaststellen die de continuïteit van de onderneming van de schuldenaar in het gedrang kunnen brengen, lichten deze laatste hiervan op een omstandige wijze in, in voorkomend geval via zijn bestuursorgaan. Indien de schuldenaar binnen een termijn van een maand vanaf die kennisgeving niet de nodige maatregelen treft om de continuïteit van de onderneming voor een minimumduur van twaalf maanden te waarborgen, kan de externe accountant, de externe belastingconsulent of de bedrijfsrevisor de voorzitter van de rechtbank van koophandel daarvan schriftelijk inlichten. In dat geval is artikel 458 van het Strafwetboek niet toepasselijk.

Geef toe, het kan duidelijker. We lichten een aantal passages uit het nieuwe wetsartikel toe.

Gewichtige en overeenstemmende feiten die de continuïteit van de onderneming van de schuldenaar in het gedrang kunnen brengen

Het is niet duidelijk wat hieronder moet worden verstaan. De economische beroepsbeoefenaar zelf moet, binnen de contouren van zijn opdracht, alert zijn op informatie die doet twijfelen aan de levensvatbaarheid van de onderneming en die moet inschatten wanneer de continuïteit van de onderneming in het gedrang kan komen. De feiten die de continuïteit in het gedrang kunnen brengen beperken zich niet louter tot ongunstige financiële indicatoren. Ook andere risico’s zoals economische, organisatorische of sociale redenen dienen in oogschouw te worden genomen. Het spreekt voor zich dat bepaalde negatieve aanwijzingen gerelativeerd of gecompenseerd kunnen worden door andere positieve elementen.

Dit betekent niet dat de economische beroepsbeoefenaar voortdurend de continuïteit van de onderneming moet monitoren. Maar het is uiteraard raadzaam om in situaties van dreigende discontinuïteit, buitengewoon zorgvuldig te zijn ten aanzien van documentatie en dossiervorming.

Hoe het bestuursorgaan inlichten?

De wet eist niet dat die kennisgeving schriftelijk moet. Maar een geschreven document wordt wel aangeraden omwille van de bewijswaarde. De economische beroepsbeoefenaar moet immers het bewijs leveren en bewaren dat hij dit gedaan heeft als de onderneming niet de vereiste maatregelen heeft genomen.

“Op omstandige wijze” impliceert dan weer volledigheid, duidelijkheid en gedetailleerdheid.

Wat als er verschillende beroepsbeoefenaars actief zijn voor dezelfde onderneming?

De vraag stelt zich of ze in dit geval contact met elkaar moeten opnemen? Wat als ze het dan oneens zijn? De meest plausibele oplossing is, ook met het oog op de mogelijke aansprakelijkheidsrisico’s, dat de economische beroepsbeoefenaar de informatieplicht als een individuele, formele en schriftelijke verplichting ziet.

De schriftelijke inlichting aan de voorzitter van de rechtbank van koophandel: wie wel en wie niet? Mogen of moeten?

Externe accountants, externe belastingconsulenten of bedrijfsrevisoren kunnen de voorzitter van de rechtbank van koophandel inlichten indien de onderneming binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving niet de nodige maatregelen treft om de continuïteit van de onderneming voor een minimumduur van twaalf maanden te waarborgen.

Kunnen dus en niet moeten. Al is het hier ook wel raadzaam de voorzitter in te lichten zodat het risico op mogelijke aansprakelijkheidsvorderingen wordt beperkt. Een delicate opdracht voor de economische beroepsbeoefenaar ! Die moet immers beoordelen of de door de onderneming genomen maatregelen adequaat zijn.

Daarbovenop komt nog dat boekhouders en boekhouders-fiscalisten uitgesloten zijn van deze meldingsmogelijkheid. Volgens de auteurs van het artikel in Accountancy & Bedrijfskunde betreurenswaardig én onbegrijpelijk.

Het onderscheid kan mogelijk leiden tot oneerlijke concurrentie tussen externe accountants, externe belastingconsulenten en de bedrijfsrevisoren enerzijds en de externe erkende boekhouders en externe erkende boekhouders-fiscalisten anderzijds.

Conclusie

Hoewel de genen van de WCO vol goede voornemens en verwachtingen zitten, roept de wettekst zelf heel wat vragen op. Zo is het duidelijk dat de rol van de economische beroepsbeoefenaar in de WCO allesbehalve zonneklaar is. Leemten, tegenstrijdigheden en onduidelijkheden zorgen er voor dat er zowel bij de economische beroepsbeoefenaar, de ondernemingen als de andere stakeholders van de WCO (advocaten, rechters) veel vragen zijn.

Gepubliceerd op 12-03-2014

  325