Vermoedens als bewijsmiddel in de btw

Wie iets beweert, moet daar voor de bewijzen aandragen. Voor de fiscus is dat niet anders. De wet kent verschillende bewijsmiddelen, o.a. schriftelijk bewijs (documenten, stukken), getuigen, bekentenissen, eed. Naast de genoemde middelen is er nog een bewijsmiddel waar de administratie vaak beroep op doet: het wettelijk vermoeden. Het standpunt van de fiscus wordt dan ‘vermoed’ juist te zijn. In sommige gevallen tot bewijs van het tegendeel van door de belastingplichtige. In andere gevallen mag de belastingplichtige zelfs geen tegenbewijs meer leveren.

Weerlegbare tegenover onweerlegbare vermoedens

Er bestaan twee soorten vermoedens: de weerlegbare en de onweerlegbare. Bij de weerlegbare vermoedens, ook wel vermoedens iuris tantum genoemd, mag de belastingplichtige bewijzen van het tegendeel aanvoeren. Daartegenover staat het onweerlegbare vermoeden of vermoeden iuris et de iure. Daarbij kan de belastingplichtige zelfs geen tegenbewijs meer leveren.

Zowel de weerlegbare als de onweerlegbare vermoedens zijn wettelijke vermoedens, ze zijn door de (fiscale) wetgever ingevoerd en kunnen in het wetboek teruggevonden worden.

Enkele weerlegbare vermoedens in de btw

De levering van een goed wordt geacht (‘vermoed’) plaats te vinden op het tijdstip dat het goed niet meer aanwezig is in de inrichting (bv. magazijn of werkplaats) waarover de leverancier in België beschikt.

Wie goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, wordt geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de btw opeisbaar wordt. Met andere woorden: wie goederen in zijn bezit heeft/had om ze verder te verkopen, wordt vermoed dit ook te doen. Hij heeft goederen aangekocht of geproduceerd, met de bedoeling ze met btw verder te verkopen. Dit vermoeden wordt uitgewerkt door het bedrag van de inkopen die de belastingplichtige in een bepaalde periode heeft gedaan, te vermeerderen met een vermoedelijke winst en dan te vergelijken met het bedrag van de belaste verkopen. Over het verschil is dan in principe btw verschuldigd. De belastingplichtige kan dit vermoeden weerleggen, bv. door aan te tonen dat de goederen nog in zijn bezit zijn of dat ze een andere bestemming hebben gekregen die de btw niet opeisbaar hebben gemaakt. Hij zou bv. ook kunnen bewijzen dat hij de goederen heeft vernietigd, omdat ze ongeschikt waren voor verkoop, of dat de goederen per toeval zijn vernietigd.
Een zelfde vermoeden geldt voor wie diensten verricht. Wie diensten verricht wordt vermoed dat te doen “onder voorwaarden die de btw opeisbaar maken”. Of anders gezegd: wie diensten verricht wordt dus vermoed ‘belastbare diensten’ te verrichten en btw aan te rekenen. Weerleggen kan met alle wettelijke bewijsmiddelen, behalve de eed.

Als een belastingplichtige verschillende handelingen verricht, waarop verschillende btw-tarieven van toepassing zijn (bv. verrichten van diensten/leveren van goederen waarbij de ene dienst/het ene goed aan 21 % en de andere dienst/het andere goed aan 12 % moet worden onderworpen), dan worden al die handelingen geacht volledig te vallen onder het hoogste tarief. Hier kan de belastingplichtige wel aantonen dat enkele diensten of goederen aan een lager tarief onderworpen moeten worden. Dat mag hij met alle wettelijke bewijsmiddelen, behalve de eed.

Enkele onweerlegbare vermoedens in de btw

Er gelden in de btw echter ook onweerlegbare vermoedens. Hier kan de belastingplichtige geen tegenbewijs tegen leveren.

Als goederen door de leverancier, door de verkrijger of door een derde verzonden of vervoerd worden, is de plaats van de levering de plaats waar de verzending of het vervoer naar de verkrijger vertrekt.

Als goederen ter beschikking van de verkrijger worden gesteld vóór het sluiten van de overeenkomst of andersom als de goederen in het bezit blijven van de verkoper na het sluiten van de overeenkomst, vindt de levering plaats op het tijdstip waarop het contract uitwerking heeft.

Als een beroepsoprichter een gebouw heeft opgericht of verkregen met toepassing van de btw, en dit gebouw niet opnieuw vervreemd heeft binnen de nieuwtermijn (een gebouw is nieuw tot en met 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikname), wordt de oprichter geacht het gebouw voor eigen behoeften te hebben onttrokken (waardoor er btw verschuldigd wordt).

 Btw-zakboekje 2016_def 

Btw-zakboekje 2016 

Het Btw-zakboekje wil aan de fiscalist en andere professionals op bevattelijke wijze een inzicht geven in de belangrijke mechanismen van de werking van de btw in België.

 Btw-wetgeving 2016 

Btw-wetgeving 2016 

Sinds 2003 het eerste btw-wetboek in zijn soort! De ervaring leert dat voor vele praktijkbeoefenaars de wetteksten inzake btw doordrongen zijn van onduidelijkheden en soms cryptische verwijzingen. In deze uitgave worden daarom niet alleen de wetteksten weergegeven, maar ook verduidelijkingen en referenties.

Gepubliceerd op 15-06-2016

  504