Verlaging vennootschapsbelasting: compenserende maatregelen

We konden u eerder al het goede nieuws melden dat het tarief van de vennootschapsbelasting in de toekomst zal gaan dalen (tot 25 % in 2020). Deze hervorming zal echter budgetneutraal moeten verlopen. Dat betekent dat er heel wat compenserende maatregelen zullen worden ingevoerd als tegengewicht voor de verlaging. In deze bijdrage gaan we verder in op die compenserende maatregelen.

Gepubliceerd op 12-09-2017

Een minimumbelasting

Vennootschappen die meer dan één miljoen EUR winst realiseren, zullen niet langer al hun fiscale aftrekken kunnen benutten. De vorige verliezen, de overgedragen dbi, de overgedragen aftrek voor innovatie-inkomsten, de overgedragen NIA en de nieuwe aangepaste notionele interestaftrek worden beperkt.

Van het gedeelte van de winst dat de 1.000.000 EUR te boven gaat, kan maar 70 % met de hierboven genoemde aftrekken verminderd worden. De andere 30 % vormen dus eigenlijk een soort minimum belastbare basis.

Voorbeeld

De nv Y heeft een winst van 1.100.000 EUR. De drempel wordt dus met 100.000 EUR overschreden. Van die 100.000 EUR kan er 30 % of 30.000 EUR niet gecompenseerd worden met aftrekken. Er zal dus altijd belasting op betaald moeten worden. In 2018 is dat 29,58 % = 8.874 EUR.

Daardoor is er op het deel van de winst dat de 1.000.000 EUR overstijgt de facto een minimumbelasting van 8.87 % verschuldigd.

Het bedrag aan aftrekken dat door de maatregel beperkt is, zou wel kunnen worden overgedragen naar volgende jaren.

Een gewijzigde notionele interestaftrek

Het gerucht deed de ronde dat de aftrek voor risicokapitaal ( = de notionele interestaftrek) zou sneuvelen. Dat is uiteindelijk niet gebeurd. Maar er werd wel flink aan het regime gesleuteld. Vanaf 2018 wordt de notionele interestaftrek berekend op basis van het gewogen gemiddelde van de aangroei van het risicokapitaal van de laatste vijf jaar.

Meerwaarden

Ook meerwaarden die gespreid belast zouden worden, maar belastbaar worden omdat de vennootschap niet op tijd wederbelegd heeft, worden belast aan het tarief dat van toepassing was op het ogenblik van de realisatie van de meerwaarde met toepassing van de nalatigheidsinteresten.

Daarnaast zullen vennootschappen enkel nog van vrijstelling van de meerwaarde op aandelen kunnen genieten als de particpatievoorwaarde is vervuld (zoals die ook bekend is uit het dbi-regime). Dat betekent dat de vennootschap een deelneming moet hebben van:

  • minstens 10 % in het kapitaal van de vennootschap OF
  • met een aanschaffingswaarde van minstens 2,5 miljoen EUR.

Deze voorwaarde komt naast de voorwaarde van de minimumbezitsduur: één jaar ononderbroken in volle eigendom. Als hieraan niet voldaan is geldt er een belasting van 25 %.

Goed nieuws is dat het bijzonder tarief van 0,4 % (0,412 % met ACB) voor grote ondernemingen op gerealiseerde meerwaarden op aandelen terug zal verdwijnen. (Deze heffing was van toepassing zelfs als aan de vrijstellingsvoorwaarden is voldaan).

Roerende voorheffing op kapitaalvermindering

Kapitaalverminderingen zullen aan de roerende voorheffing worden onderworpen in verhouding van het aandeel van de nog aanwezige belaste reserves in het gestort kapitaal verhoogd met de belaste reserves. Bovendien wordt de mogelijkheid om een kapitaalvermindering bij voorrang aan te rekenen op gestort kapitaal afgeschaft.

Dit betekent dat:

  • de vennootschap 30 % roerende voorheffing zal moeten betalen op het gedeelte van de uitgekeerde reserves
  • het gedeelte van de kapitaalvermindering dat uit het gestort kapitaal komt, nog altijd onbelastbaar zal zijn

Nakomen van fiscale verplichtingen

De wetgever plant ook enkele maatregelen die vennootschappen nog meer moet aanzetten om hun fiscale verplichtingen na te komen: 

  • voor vennootschappen die geen aangifte indienen, wordt vanaf 2018 de forfaitaire minimumwinst op 40.000 EUR bepaald
  • de basisrentevoet van de voorafbetalingen wordt tot 3 % verhoogd, waardoor het heel wat nadeliger wordt als de vennootschap geen of onvoldoende voorafbetalingen doet
  • het tarief van de moratoriuminteresten wordt vanaf2018 worden gekoppeld aan de OLO-rente, met een minimum van 2 %. De nalatigheidsintresten zullen 2 % hoger zijn dan de moratoriuminteresten

Ten slotte ook nog …

  1432