Vastklikken van belaste reserves aan 10 %: een gesprek met Peter Verbanck

De programmawet van 28 juni 2013 verhoogde het tarief van de roerende voorheffing op liquidatieboni van 10 % naar 25 % en dit vanaf 1 oktober 2014. Ten einde te vermijden dat heel wat (kmo-)vennootschappen als gevolg daarvan vervroegd zouden vereffenen, wordt in een overgangsregeling voorzien. Door deze overgangsmaatregel kunnen bepaalde reeds belaste reserves worden uitgekeerd als dividend en vervolgens worden geïncorporeerd in kapitaal met betaling van een roerende voorheffing van 10 %. Bij latere kapitaalverminderingen is dan geen belasting meer verschuldigd in hoofde van de aandeelhouder. In zijn boek “Vastklikken van belaste reserves aan 10 %” geeft Peter Verbanck een uitgebreide toelichting bij deze overgangsmaatregel. We zochten hem op voor een verhelderend gesprek.

De achtergrond van de maatregel

De verhoging van de roerende voorheffing op liquidatieboni werd doorgevoerd omdat de regering van oordeel is dat de belasting op arbeidsinkomen te hoog is en de belasting op vermogensinkomsten te laag. Daarnaast beroept ze zich er op om de belastingheffing op liquidatie-uitkeringen gelijk te trekken met de belastingheffing op gewone dividenduitkeringen, d.w.z. uitkeringen tijdens het bestaan van de vennootschap. De stijging (van 10 naar 25 %) betekent een belastingverhoging van maar liefst 150 %, vertelt Peter Verbanck, en dat terwijl dergelijke uitkeringen vóór 1 januari 2003 zelfs helemaal niet waren onderworpen aan roerende voorheffing.

Hij voegt daaraan toe: “Anderzijds mag ook niet uit het oog worden verloren dat in de meeste Europese landen het onderscheid tussen uitkeringen bij vereffening en gewone dividenduitkeringen niet bestaat en uitkeringen op het einde op een identieke of vergelijkbare manier worden belast als gewone dividenduitkeringen.”

Gelukkig is de regering zich bewust van het feit dat deze drastische belastingverhoging aanleiding zou kunnen geven tot vervroegde stopzetting van vennootschappen (vnl. van zgn. kmo-vennootschappen). Daarom die overgangsmaatregel, waardoor vennootschappen (eenmalig) bepaalde reserves kunnen uitkeren aan een heffing van 10 %. Althans mits de verkregen bedragen worden gebruikt om onmiddellijk een kapitaalverhoging door te voeren en dit kapitaal gedurende een aantal jaren niet te verminderen.

Een zeer tijdelijke overgangsmaatregel: vennootschappen hebben niet veel tijd om te reageren

Het klopt dat de overgangsmaatregel wel zeer ‘tijdelijk’ is. De maatregel is pas van toepassing vanaf 1 juli 2013 en loopt omwille van de specifieke omschrijving van één van voorwaarden voor de meeste vennootschappen reeds af op 31 december 2013. De wet bepaalt immers dat de vereiste kapitaalverhoging moet gebeuren “tijdens het belastbaar tijdperk dat afsluit vóór 1 oktober 2014”.

Voor vennootschappen, die hun boekjaar afsluiten tussen 1 oktober en 31 december, moet de kapitaalverhoging bijgevolg gebeuren op de laatste dag van het boekjaar dat effectief afsluit in kalenderjaar 2013.

Heel wat onduidelijkheden. Biedt een circulaire de oplossing?

Verbanck stelt vast dat de kwaliteit van de wettekst (opnieuw) van een bedenkelijk niveau is. De wetgever lijkt helemaal geen rekening te hebben gehouden met de praktische stappen die moeten worden gedaan om te voldoen aan alle wettelijke voorwaarden. “Maar, met een beetje gezond verstand en welwillendheid van de fiscale administratie kan hieraan gemakkelijk een mouw worden gepast”, meent hij. “Wanneer men bv. het woordje ‘onmiddellijk’ niet letterlijk interpreteert, maar eerder soepel zoals men dat bv. ook reeds doet bij de onmiddellijke doorstortingsplicht bij certificering van aandelen, zijn een aantal praktische problemen ‘onmiddellijk’ opgelost.” 

Voor andere problemen ziet de auteur evenwel niet hoe deze zullen kunnen worden ondervangen door een administratieve circulaire. Hij denkt daarbij onder andere aan de vennootschapsrechtelijke formaliteiten, die moeten worden nageleefd.  Eerst en vooral moet er voldoende voor uitkering vatbare winst zijn om tot een effectieve dividenduitkering te kunnen overgaan. Die uitkering moet dan weer gevolgd worden door een vennootschapsrechtelijke kapitaalverhoging, wat in principe een notariële akte vereist en in de meeste gevallen een verslag van een revisor. “En dit allemaal vóór 1 januari 2014 !”

We leggen Peter nog een probleem voor: enkel belaste reserves die ten laatste op 31 maart van dit jaar werden vastgesteld door de algemene vergadering kunnen worden vastgeklikt. In de praktijk bepalen de statuten van de vennootschap echter meestal dat de jaarlijkse Algemene Vergadering plaatsvindt in de vierde, vijfde of zesde maand volgend op de jaarafsluiting. Dit betekent dan ook dat bij vennootschappen waarvan het boekjaar afsluit op 31 december de Algemene Vergadering in de maanden april, mei of juni plaatsvindt.

“Dat klopt. Deze techniek is door de regering dan ook bewust gekozen,” licht Verbanck toe. “Kijk maar eens naar de Memorie van Toelichting. Daar staat letterlijk: ‘Op die datum werd de toestand als het ware bevroren om iedere vorm van manipulatie te vermijden. […]. Vennootschappen die hun algemene vergadering reeds hielden uiterlijk op 31 maart, kenden de maatregel nog niet en konden de belaste reserves die zij goedkeurden nog niet manipuleren. Vennootschappen die hun algemene vergadering later hielden of houden, kunnen de door de vorige algemene vergadering, goedgekeurde reserves ook niet meer manipuleren.’ Hieruit volgt dat de meeste vennootschappen enkel zullen kunnen rekening houden met de belaste reserves van het boekjaar 2011 en zullen de winsten van het boekjaar 2012 (en 2013) uit de boot vallen”.

Dan is er ook nog de specifieke antimisbruikregeling die met de overgangsmaatregel wordt ingevoerd. De regering vreesde dat vennootschappen geneigd zouden zijn gebruik te maken van de overgangsmaatregel om dividenden uit te keren met betaling van 10 % roerende voorheffing (weliswaar onmiddellijk gevolgd door een incorporatie in het kapitaal) en zo de normale roerende voorheffing van 25% op gewone dividenduitkeringen te vermijden. Het komt er in het kort op neer dat vennootschappen hun dividendpolitiek niet mogen wijzigen: de vennootschap zal - bovenop de 10 % - nog eens een afzonderlijke aanslag van 15 % verschuldigd zijn, wanneer ze in het jaar van de dividenduitkering (onmiddellijk gevolgd door een kapitaalverhoging) een positief resultaat heeft en  in vergelijking met de vorige vijf jaar  te weinig gewone dividenden uitkeert. Ook in verband met de antimisbruikbepaling stelt Peter Verbanck gebreken in de wettekst vast: “… de gehanteerde terminologie blinkt niet echt uit in duidelijkheid. In de voorbereidende werken spreekt men zelfs van ‘een alarmerende complexiteit’.”

Het houdt de ondernemers bezig

De overgangsmaatregel is duidelijk een hot topic. Dat merkt ook Verbanck: “Onze klanten spreken ons hierover aan,  ondanks de techniciteit van de maatregel” en “ook in de notariskantoren is reeds een eerste zenuwachtigheid te bespeuren.”

Wat zijn de zorgen waar de ondernemer mee zit? De doorsnee ondernemer kan er echt niet bij dat iets wat was aangekondigd als een heel eenvoudige maatregel (en zelfs een opportuniteit), waardoor bepaalde reserves fiscaal zouden kunnen worden vastgeklikt (geïncorporeerd)  in het kapitaal (dus geen notariële akte, geen revisor, enz.) verworden is tot een administratieve lijdensweg, met heel wat beperkingen (bv. veelal enkel belaste reserves van het boekjaar 2011) en dit alles onder een enorme tijdsdruk, nl. alles moet rond zijn tegen 31 december 2013.

Maar ook de ‘inhaalbeweging’, waardoor vennootschappen, die de laatste vijf jaar dividenden hebben uitgekeerd, in bepaalde gevallen een afzonderlijke aanslag van 15 % zullen moeten betalen , kan op weinig begrip rekenen. Verbanck hoort het bijna dagelijks van zijn klanten.

Meer zelfs, op kantoor (Verbanck, Plas & Partners) stellen ze vast dat een aantal ondernemers toch ernstig overweegt om een paar jaartjes vroeger te stoppen.

Vastklikken of niet?

Nu dan de hamvraag: overgaan tot vastklikken of toch maar niet? Op het eerste zicht lijkt het antwoord ronduit positief te moeten zijn, nl. nu 10 % betalen om later 25 % te besparen of m.a.w. een belastingbesparing van 15 procentpunten. Maar, waarschuwt Verbanck,  deze conclusie is evenwel nogal kort door de bocht en te zwart-wit; het antwoord is genuanceerder.

Enkele voorbeelden kunnen dat aantonen. Wanneer de aandeelhouders vennootschappen zijn, die beantwoorden aan de voorwaarden voor de vrijstelling van de roerende voorheffing op basis van een moeder-dochterrelatie, is het antwoord op basis van de huidige wetgeving, volgens Verbanck, negatief. “Immers, bij latere liquidatie van de bewuste vennootschap komt men in aanmerking voor een vrijstelling van die 25 %,  waarom dan nu de kosten en de rompslomp van een kapitaalverhoging dragen? Tenzij de aandeelhouders vennootschappen plannen om binnen afzienbare termijn hun aandelen te verkopen aan natuurlijke personen.”

Ander voorbeeld : wanneer de aandeelhouders natuurlijke personen zijn, mag men het tijdseffect niet uit het oog verliezen : de 10 % belasting is nu verschuldigd en de uitgespaarde belasting komt pas later. Bij vastklikken verdwijnt onvermijdelijk ook 10 % van de vastgeklikte bedragen uit de vennootschap: met deze bedragen kan de vennootschap bijgevolg niet meer werken, heeft ze geen rendement meer, kan ze niet meer genieten van de notionele interestaftrek, enz. Bepaalde auteurs hebben terzake berekeningen gemaakt. Zij komen tot de conclusies dat het voor vennootschappen die men plant te liquideren binnen een termijn van tien à twaalf jaar een goed idee is om gebruik te maken van de vastklikregeling. Staat die liquidatie pas voor later gepland, dan wordt er beter niet vastgeklikt.. Maar ook dat moet worden genuanceerd, aldus Verbanck, want “men kan nu vastklikken om na de voorgeschreven houdtermijn over te gaan tot een kapitaalvermindering om op een belastingvriendelijke manier geld te laten toevloeien aan de aandeelhouders.”

Verbancks conclusie: “Kortom, het is een feitenkwestie, zoals zo vaak in fiscale zaken.”

Tot slot: wordt het na deze spectaculaire nieuwe maatregel even wat rustiger?

We kunnen nu alleen maar hopen dat – met de moeder van alle verkiezingen van volgend jaar in het vooruitzicht - de fiscale wind nu ietsje zal gaan liggen. Maar toch ziet Verbanck de mogelijkheid dat, in geval van begrotingsproblemen, opnieuw andere heilige koeien op tafel worden gegooid : belasting van privémeerwaarden, belasting van onroerende inkomsten op werkelijk ontvangen inkomsten in plaats van in functie van kadastraal inkomen, enz.

“Maar dat zijn zorgen voor morgen, nu eerst een aantal notariële aktes voorbereiden om reserves vast te klikken …”

Over het boek

Vastklikken belaste reserves De overgangsregeling wordt uitgebreid besproken in het boek “Vastklikken van belaste reserves aan 10 %. Bespreking van de overgangsmaatregel in het kader van de verhoging van de roerende voorheffing op liquidatieboni”.  Deze tekst werd eerder gepubliceerd in het Algemeen Fiscaal Tijdschrijft (AFT 2013, afl. 8-9).

Over de auteur

Peter Verbanck is vennoot bij Verbanck, Plas & Partners, fiscale en juridische raadgevers te Gent. Hij is erkend IAB belastingconsulent. In zijn dagelijkse praktijk adviseert hij ondernemers en particulieren over alle domeinen van het belastingrecht en verleent hij bijstand bij allerhande juridische vraagstukken en aangelegenheden. Daarnaast is hij auteur van diverse fiscale publicaties en maakt hij deel uit van de redactiecomités van Fiscoloog en het Algemeen Fiscaal Tijdschrift (AFT). Hij is een gewaardeerd spreker op veelvuldige seminaries met betrekking tot fiscaliteit, o.a. bij Kluwer Opleidingen en FHS-Seminaries.  Aan HUB/Ehsal doceert hij het vak Vennootschapsbelasting en Beleidsbeslissingen.

Gepubliceerd op 30-09-2013

  754