Transfer pricing: (g)een ver-van-mijn-bedshow?

Transfer pricing: het lijkt een ver-van-mijn-bedshow voor kleine ondernemingen, maar toch kunnen zij er ook mee geconfronteerd worden. En die kans zal in de toekomst enkel maar stijgen. Binnen de OESO heeft transfer pricing steeds veel aandacht gekregen. Ook in het BEPS-project van de OESO komen ze ruim aan bod. Voor kmo’s werden er ondertussen speciale regels uitgewerkt. Voor wie niet helemaal mee is zetten we enkele kernbegrippen en regels in de kijker.

Wat is het en waarom?

Transfer pricing-regels bekijken de verrichtingen die verbonden ondernemingen onderling doen. Centraal staat de vraag of ze wel at arms length-prijzen hanteren. Met andere woorden: ruilen ze diensten en goederen uit aan marktvoorwaarden die ook door onafhankelijke ondernemingen zouden worden toegepast of passen ze andere tarieven toe?

Waarom is dat zo belangrijk? De belastingautoriteiten willen met deze (inter)nationale regels vermijden dat verbonden ondernemingen hun winsten op kunstmatige wijze gaan verschuiven naar de groepsvennootschap die in een laagbelast land is gevestigd, door hoge prijzen aan te rekenen voor het verrichten van intragroepsdiensten.

Voorbeeld

In een laagbelast land wordt een vennootschap A opgericht die functioneert als financieringscentrum voor de groep: ze verricht allerhande diensten voor de andere groepsleden (vennootschappen B, C en D) die gevestigd zijn in landen met een hogere belastingdruk. Door fors te betalen voor de geleverde diensten kunnen B, C en D  een deel van hun winst doorschuiven naar A. Bij A wordt deze winst laag belast, terwijl B, C en D deze uitgave als kost kunnen boeken. Uiteindelijke bedoeling is dat er op groepsniveau zoveel mogelijk belasting wordt bespaard.

De groep mag deze techniek niet misbruiken om veel winst te verschuiven door buitenissige bedragen te betalen voor deze diensten die een onafhankelijke onderneming niet bereid zou zijn te betalen.

Het mag dus duidelijk zijn: de regels inzake transfer pricing of verrekenprijzen zijn er op gericht te zorgen dat verbonden ondernemingen correcte prijzen toepassen, net zoals twee onafhankelijke ondernemingen onder elkaar zouden doen.

Als deze regels niet worden gerespecteerd, wordt de winst die zo wordt verschoven alsnog belast bij de oorspronkelijke vennootschap. Als we teruggrijpen naar het voorbeeld: de verschoven winst zou niet in land A worden belast als winst van vennootschap A, maar gewoon als winst van de vennootschappen B, C en D in de landen waar zij gevestigd zijn.

Verbonden ondernemingen

Verbonden vennootschappen kunnen zowel rechtstreeks als onrechtstreeks een band met elkaar hebben: moeder- dochtervennootschappen, zusterbedrijven, …

Voorbeeld

Vennootschap A heeft een deelneming van 100 % in vennootschap B. A en B zijn verbonden vennootschappen (moeder A en dochter B). B heeft op zich een 100 %-deelneming in vennootschappen C en D: ook C en D zijn verbonden (‘zusters’, dochters van dezelfde moedervennootschap), maar zijn ook verbonden met A, hun grootmoeder.

De deelnemingen hoeven geen 100 % te bedragen om verbonden te zijn: ook als A slechts 25 % van de aandelen van B zou bezitten, zijn ze verbonden vennootschappen.

Enkele methoden

De OECD (NL: OESO of  Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling), gebruikt verschillende methoden om te beoordelen wat een correcte prijs is voor handelingen tussen verbonden ondernemingen.

Het zou ons te ver leiden om de verschillende methodes in detail te bespreken, maar lichten toch een klein tipje van de sluier. Enkele methodes worden hier vereenvoudigd voorgesteld. In de praktijk is het natuurlijk wel wat ingewikkelder, bv. omwille van de specifieke sector waarin de onderneming actief is.

  • CUP-methode of comparable uncontrolled price: de prijs die verbonden ondernemingen elkaar aanrekenen voor goederen en diensten, wordt vergeleken met de prijs die onafhankelijke ondernemingen elkaar aanrekenen voor vergelijkbare transacties.
    Vereenvoudigd voorbeeld: A en B zijn moeder- en dochtervennootschap, A levert een dienst aan B voor 100. Tussen twee onafhankelijke ondernemingen C en D is voor dezelfde dienst een prijs van 60 afgesproken: A en B hebben geen correcte prijs toegepast.
  • De resale  price-methode: deze methode start bij de resale-prijs, dat is de prijs die een onderneming aanrekent aan een onafhankelijke onderneming voor een product dat ze zelf heeft gekocht van een verbonden onderneming. Van deze marktprijs wordt dan een brutomarge afgetrokken, zodat de verkoper een ‘redelijke’ winst heeft. Het resultaat is dan de correcte prijs tussen de verbonden ondernemingen.
    Vereenvoudigd voorbeeld: B heeft product X gekocht van A ( = zusteronderneming), B verkoopt voort aan onafhankelijk onderneming C voor 100, voor de inspanning van B is 20 een normale marge = een correcte verrekenprijs tussen A en B voor het product is 80.
  • De cost plus-methode: deze methode neemt de productiekosten als uitgangspunt, om tot een eerlijke marktprijs te komen. Dit bedrag wordt dan verhoogd met een mark up ( = in feite de winst die een normaal bedrijf zou willen maken bovenop de kosten die ze zelf heeft gemaakt).
    Vereenvoudigd voorbeeld: een product maken kost 100, een normale mark up is voor zo’n product 15 % = een eerlijke prijs is 115.

De hier besproken methodes zijn de meer traditionele methodes. Andere mogelijkheden zijn de transactionele netto marge methode en de profit split-methode. Hier gaan we nu niet verder op in.

Speciaal voor kmo’s

Al deze regels lijken voor kmo’s minder belangrijk. Ze lijken eerder voorgeschreven voor grote (multinationale) groepen. Toch kunnen ook kmo’s er mee in aanraking komen. Allicht zal die kans in de toekomst enkel maar vergroten.

Voor deze ondernemingen is aan alle transfer pricing-verplichtingen beantwoorden vaak moeilijker dan voor grote vennootschappen. Deze regels brengen immers heel wat administratieve rompslomp met zich mee, wat veel tijd en geld kost – o.a. het bijhouden van transfer pricing-documentatie. Deze documentatie is cruciaal zowel voor de belastingplichtige (die aan de hand daarvan o.a. kan bepalen of de intragroepsprijzen marktconform zijn) als voor de belastingautoriteiten (die ze gebruiken om transfer pricing¬-controles uit te voeren).
De OESO stelt in ieder geval voor om aan kmo’s minder strenge eisen te stellen. Omdat de uiteindelijke regels nationale regels zijn (de OESO kan immers zelfs geen wetten invoeren), komt het nog wel aan de landen zelf toe om te beslissen of ze voor kmo’s soepelere regels uitwerken.

Gepubliceerd op 02-09-2015

  506