Taxshift: fetisj van 100 euro

Bij haar aantreden besliste de federale regering de forfaitaire beroepskosten van werknemers te verhogen. Uitgezonderd de 3 procent werknemers die hun kosten bewijzen, krijgen zowat alle loontrekkenden daardoor meer nettoloon. Al vijf jaar bestaat voor werknemers met een laag loon naast de werkbonus – een korting op de sociale bijdragen – een specifiek belastingkrediet op die werkbonus. Zowel de werkbonus als het belastingkrediet ging omhoog. Het belastingkrediet zal de volgende jaren nog verder stijgen. Hoewel het kabinet van de minister van Financiën berichten over de afschaffing van het belastingtarief van 30 procent eerst nog had afgedaan als "absurd voorbarig", werd vorige week de knoop doorgehakt: het belastingtarief van 30 procent verdwijnt.

Van al die maatregelen kost enkel de verhoging van de fiscale werkbonus de gewesten en de gemeenten niets. Die factuur wordt volledig gedragen door de federale overheid, aangezien het een louter federaal belastingkrediet betreft. De afschaffing van het 30 procenttarief en de verhoging van het kostenforfait raken wel aan de opcentiemen van de andere overheden. Ze worden voor 24 procent meegefinancierd door de gewesten en voor 7 procent door de gemeenten.

Met al die maatregelen kom je in de buurt van een maandelijkse koopkrachtverhoging van 100 euro netto, maar alleen voor personen met een zeer laag loon (bruto 1.550 euro per maand) en pas tegen 2019. Voor zo'n loon levert de hogere fiscale werkbonus een winst van 55 euro op. De verhoging van het kostenforfait geeft 24 euro extra en de afschaffing van het 30 procenttarief maximaal 16 euro per maand. Om de taxshift wat meer body te geven, was op de ministeriële persconferentie te horen dat "werkenden er met 100 euro per maand op vooruitgaan", waarbij het woord 'sommige' gemakshalve wordt vergeten. Gevolg: de werkenden verwachten die 100 euro nu ook. Als een fetisj duikt dat bedrag in vrijwel elk artikel over de taxshift op. Maar voor de meeste belastingbetalers zal het een pak minder zijn, als het bij die drie maatregelen blijft.

Verdient u bruto (vóór RSZ) meer dan 2.413 euro per maand, dan hebt u – bij gebrek aan werkbonus – niets aan een hoger belastingkrediet op die werkbonus. De 55 euro kunt u dus al schrappen. Het verdwijnen van het 30 procenttarief levert in het beste geval 16 euro extra per maand op, maar vaak is dat minder of helemaal niets. Heeft een koppel drie of meer kinderen ten laste, dan ontvangt één partner het extraatje van 16 euro. De ander die de vrijstelling voor de kinderen krijgt, betaalt pas belasting vanaf de inkomensschijf van 40 procent of hoger. Aan het verdwijnen van het 30 procenttarief heeft hij niets. Voor een alleenstaande levert die maatregel al vanaf twee kinderen niets meer op. Bij één kind is dat 10 euro in plaats van 16 euro per maand. De schrapping van het 30 procenttarief levert dus niet voor iedereen een voordeel op.

Voor brutomaandlonen hoger dan 2.413 euro komt dus alle heil van de verhoging van de forfaitaire beroepskosten, een maatregel van eind vorig jaar die in feite losstaat van de taxshift die deze zomer werd afgesproken. Voor een loontrekkende met een brutomaandloon van 2.500 euro levert de verhoging van de forfaitaire beroepskosten maandelijks 27 euro extra op. Bij een maandloon van 3.500 euro is de koopkrachtverhoging maximaal en bedraagt die 30 euro per maand. Wie bruto 5.000 euro heeft, gaat er nog slechts 18 euro op vooruit. Maar ook die maatregel brengt geen soelaas voor alle werkenden. Iedereen die werkt buiten een arbeidscontract – zoals vrij beroepers, handelaars, ondernemers en andere zelfstandigen – valt uit de boot. Zij hebben ofwel geen forfaitaire beroepskosten, of die worden niet verhoogd.

Als we de optelsom van de drie maatregelen maken, komen we voor een werknemer met het Belgische gemiddelde brutomaandloon van 3.300 euro uit op een maximale koopkrachtverhoging van 43 euro per maand, als hij niet te veel kinderen heeft. De gepensioneerde moet het, in het beste geval, stellen met 16 euro. Voor de zelfstandige met drie kinderen ten laste staat de teller vooralsnog op nul. Zonder extra maatregelen klinkt voor die laatste het politieke credo 'iedere werkende gaat erop vooruit' wel erg hol.

Als je iedereen 100 euro meer netto wil geven, is het amalgaan van fiscale ingrepen waartoe men nu heeft beslist niet efficiënt, omdat het voordeel bokkensprongen maakt naargelang van de beroepscategorie en gezinssituatie. Dan werk je beter met een forfaitaire belastingvermindering voor álle werkenden. Zoals de vroegere Vlaamse jobkorting, die dan federaal nieuw leven wordt ingeblazen. Bovendien kan je die ook moduleren, om lage inkomens een extra boost te geven.

Jef Wellens, Wolters Kluwer (Daily Trends 5.9.2015)

Gepubliceerd op 07-09-2015

  545