Rulings over belasting op bedrijfswagens: alleen maar verliezers

Een van de eerste begrotingsmaatregelen van de regering-Di Rupo was de forse verhoging van de belasting op bedrijfswagens. Die trof vooral de dure luxewagens. Een ondernemer die de belasting op zijn firmawagen zag omhoogschieten, wendde zich midden 2012 tot de fiscale rulingcommissie. Bij die dienst van de federale overheidsdienst Financiën kan een belastingplichtige een beoordeling vragen over de fiscale gevolgen van een verrichting die hij wil doen. De ondernemer, de bedrijfsleider van een BVBA, verklaarde dat hij de wagen van zijn vennootschap niet meer privé zou gebruiken. Daarop oordeelde de rulingcommissie dat de BVBA aan haar bedrijfsleider voor die wagen niet langer een belastbaar voordeel van alle aard hoefde aan te rekenen.

Die ruling kreeg ook navolging. Ook in de recentste beslissing stelde de fiscus dat de bedrijfsleider van een BVBA, in ruil voor zijn engagement om af te zien van elk privégebruik van de Porsche van zijn bedrijf, geen belasting meer verschuldigd is voor het gebruik van die auto. Een bericht op Twitter eerder deze maand waarin ik die ruling aanhaalde als illustratie van het Laffer-effect – belastingverhogingen doen de belastinginkomsten dalen – werd de dag daarop door sommige Vlaamse kranten aangedikt tot «CEO’s ontsnappen aan belasting op luxebedrijfsauto’s». Dat is een beetje overtrokken. Daarom zetten we de puntjes op de i.

Voor het persoonlijke gebruik van een bedrijfswagen wordt een belastbaar voordeel aangerekend. Daaronder vallen niet alleen de privéverplaatsingen, maar ook het woon-werkverkeer. Wordt de wagen die een vennootschap aan haar bedrijfsleider of haar werknemer ter beschikking stelt, enkel gebruikt voor beroepsverplaatsingen – dus andere verplaatsingen dan het woon-werkverkeer – dan is er geen persoonlijk gebruik en dus geen wettelijke grondslag om een belastbaar voordeel aan te rekenen. De groep waarop die ruling betrekking heeft, is dus veeleer beperkt. Het zijn hoofdzakelijk bedrijfsleiders die de zetel van hun vennootschap hebben gevestigd in hun woonplaats, en zich dus in principe niet hoeven te verplaatsen naar hun werk, waardoor het belastbare voordeel hoe dan ook moet worden aangerekend. Voor hen volstaat het formeel te verzaken aan ieder privégebruik van de bedrijfswagen, om er niet langer op te worden belast. Voor een Porsche kan die besparing oplopen tot 15.000 euro per jaar.

De bedrijfsleider moet zijn engagement uiteraard hard maken en de bedrijfswagen in zijn vrije tijd netjes aan de kant laten. Dat kan alleen als hij of zijn gezin over een tweede eigen wagen beschikt, zoals in beide rulings het geval was. Die tweede wagen moet kunnen voldoen aan alle privébehoeften. Wordt de bedrijfswagen door een fiscale controleur één keer gespot op het parkeerterrein van de bakker of van de voetbalclub van zoonlief, dan krijgt hij alsnog de rekening gepresenteerd.

Dat brengt ons tot een heikel punt: de bewijslast. Het is niet aan de belastingplichtige om aan te tonen dat hij zijn bedrijfswagen niet privé gebruikt, wel moet de fiscus bewijzen dat de belastingplichtige zich niet aan de afspraak houdt. Hij kan zich daarvoor beroepen op vermoedens. Dat bewijs is eenvoudig te leveren als de firmawagen het enige vervoermiddel is waarover de bedrijfsleider privé beschikt. Maar als de duizenden bedrijfsleiders met een vennootschapszetel op hun privéadres, en die een tweede eigen wagen hebben, via een ruling dezelfde fiscale optimalisatie zouden nastreven, waar moet de fiscus dan de middelen vandaan halen om de toepassing van die regel te controleren ?

De rulings maken één ding duidelijk: verhoog je een belasting spectaculair, dan stijgt de bereidheid om eraan te ontsnappen evenredig. In dit verhaal zijn er enkel verliezers. De bedrijfsleider verliest, omdat hij noodgedwongen de gebruiksvrijheid van zijn firmawagen beknot. En de overheid verliest omdat ze, bij gebrek aan controlemiddelen, wellicht meer belastinginkomsten laat schieten dan haar lief is. De rulingcommissie kan moeilijk iets worden verweten. Die past enkel de fiscale wet toe op de feiten die haar worden voorgelegd. Maar uit vrees voor een golf van vergelijkbare rulingaanvragen, gaan er in politieke kringen stemmen op om een ‘wettelijk vermoed privégebruik’ voor bedrijfswagens in te voeren. Hopelijk blijft dat bij een ballonnetje.

Bron: Fiscale column Trends

Gepubliceerd op 23-08-2013

  409