1. Home
  2. Nieuws
  3. Uitgespit
  4. Rechter en partij

Rechter en partij

Gepubliceerd op 04-09-2017

De meeste belastingaangiftes zijn binnen. Voor de aangiftes die worden ingediend via een boekhouder of een belastingconsulent is er nog tijd tot 26 oktober. Ik zag al heel wat aangiftes de revue passeren. Als iemand mij vraagt zijn aangifte in te vullen, werp ik meestal ook een blik op zijn belastingafrekening van het jaar voordien. De voorbije jaren valt me steeds dezelfde fout op. Ik heb het niet zozeer over het bedrag van de belastingen, maar over de onjuiste verdeling van die belastingen tussen de federale overheid en het Vlaamse, het Waalse of het Brusselse Gewest.

Het probleem doet zich alweer voor in het vak waar hypothecaire leningen en levensverzekeringen worden aangegeven. Niet enkel de belastingplichtige, ook de belastingambtenaar verdwaalt in dat labyrint van 160 codes. Laat drie ambtenaren van de federale overheidsdienst Financiën de aangifte invullen van een eigenaar die zijn gehypothekeerde woning heeft ingeruild voor een nieuwe woning, en je krijgt drie verschillende uitkomsten.

De gewesten moeten de belastingvermindering toekennen voor kapitaalaflossingen, intresten en levensverzekeringspremies die zijn betaald voor de eigen woning. Dat is de woning – of het deel ervan – die de belastingplichtige zelf bewoont. Zijn die uitgaven betaald voor een andere dan de eigen woning, bijvoorbeeld een tweede verblijf, of voor een deel van de woning dat wordt verhuurd of beroepsmatig wordt gebruikt, dan moet de federale overheid het fiscale voordeel toekennen. De belastingvermindering voor levensverzekeringen die niet betaald zijn als waarborg voor een woning, maar om een aanvullend pensioen op te bouwen, moet ook de federale overheid dragen. De zesde staatshervorming heeft die verdeling vastgelegd. Maar in de praktijk wordt ze met de voeten getreden.

Levensverzekeringspremies die niets te maken hebben met een woning, worden vaak verkeerd aangegeven in het gewestelijke deel van de aangifte, gewoon omdat de rubriek ‘premies van individuele levensverzekeringen’ in de aangifte in dat deel het eerst voorkomt. Terwijl de juiste federale rubriek pas een hoop codes later volgt. En als er al een nazicht van de aangifte gebeurt, is die lang niet waterdicht. Want in een aantal dossiers werd, zelfs na opvraging van de fiscale attesten door de belastingambtenaar, toch nog foutief de gewestelijke in plaats van de federale vermindering op het aanslagbiljet opgenomen. Gevolg: het fiscale voordeel wordt budgettair ten laste gelegd van de regionale overheid, terwijl de federale overheid dat in feite op zich moet nemen.

Hetzelfde fenomeen doet zich voor bij de aangifte van leningen voor gedeeltelijk verhuurde of beroepshalve gebruikte woningen. Het onderscheid tussen de eigen en de niet-eigen woning wordt in dat geval niet altijd correct gemaakt in de aangifte, waardoor de regio’s opnieuw met te hoge fiscale uitgaven worden opgezadeld.

Ook al gaat het niet om astronomische bedragen, toch is dit een belangrijk pijnpunt van de fiscale staatshervorming: de controle op de inning en de verdeling van lusten en lasten van onze personenbelasting is een zuivere federale bevoegdheid. De gewesten hebben daar geen vat op. De federale overheid is zowel rechter als partij. Welk belang heeft een federale overheidsdienst erbij om onterecht geclaimde Vlaamse of Waalse fiscale uitgaven te corrigeren tot federale uitgaven?

 

Jef Wellens, deze bijdrage werd eerder gepubliceerd in Trends, 24 augustus 2017.

  498