Onderkapitalisatie van vennootschappen

Bij onderkapitalisatie of thin capitalisation bestaat er een wanverhouding tussen het eigen vermogen en het vreemd vermogen van een onderneming. De fiscale wetgever bestraft deze werkwijze door de interestaftrek bij de betalende vennootschap te beperken. We doen de precieze regels kort en bondig uit de doeken.

Wat is onderkapitalisatie of ‘thin capitalisation’ ?

Een vennootschap is ondergekapitaliseerd als er een wanverhouding bestaat tussen het vreemd vermogen en het eigen vermogen van de vennootschap. Die verhouding wordt ook wel aangeduid als de debt equity ratio. De ‘schulden’ van een onderneming mogen maximaal x aantal keer groter zijn dan haar ‘fiscaal vermogen’. De meeste landen hebben wettelijk de maximaal toegestane verhouding vastgelegd. Ook België heeft dit gedaan.

Overeenkomstig artikel 198, 11° van het WIB92 bedraagt de debt equity ratio 5/1 (vroeger gold de soepelere 7/1 verhouding). Het vreemd vermogen (de schulden) van een vennootschap mag dus maximaal vijf keer groter zijn dan het eigen vermogen. Dit eigen vermogen wordt gedefinieerd als de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbaar tijdperk en het gestort kapitaal bij het einde van dit tijdperk.

Gevolgen voor de aftrekbaarheid van de interesten

In principe zijn betaalde interesten als beroepskost aftrekbaar. Om onderkapitalisatie tegen te gaan wordt de interestaftrek evenwel beperkt als de debt equity ratio van 5/1 niet wordt gerespecteerd. Bedoeling van de fiscale wetgever is ‘winstverschuivingen’ bestrijden. Winstgevende vennootschappen zouden anders immers hun winsten kunnen doorschuiven naar een verbonden onderneming door  haar abnormaal hoge interesten te betalen: de winstgevende vennootschap verlaagt haar belastbare basis omdat ze meer kosten heeft (de betaalde interest), terwijl de ontvangen interesten bij de dochter amper belast  worden (omdat ze gebruikt worden om bestaande verliezen te compenseren of omdat de dochter gevestigd is in een land met een lage vennootschapsbelasting, bv. een belastingparadijs).

Door bij de betalende vennootschap de interestaftrek te beperken, gaat dit voordeel verloren.

Interesten zijn niet aftrekbaar voor zover deze drempel (5/1) wordt overschreden. Het is dus niet zo dat het overschrijden van de drempel de aftrekbaarheid van alle interesten in het gedrang brengt.  

Voorbeeld

De nv X gaat een lening aan van 500.000 EUR bij haar moeder Y. Er wordt een marktconforme rente van 8 % aangerekend. Dochter X betaalt dus 40.000 EUR interesten aan moeder Y.

De belaste reserves van de nv X bij het begin van het belastbaar tijdperk bedragen 25.000 EUR. Het gestort kapitaal op het einde van het belastbaar tijdperk bedraagt 45.000 EUR. Som van beide is 70.000 EUR. Als de debt equity ratio wordt gerespecteerd mag de schuld van de nv X maximaal 5 × 70.000 = 350.000 EUR bedragen.

Een deel van de betaalde interest van 40.000 EUR zal dus niet aftrekbaar zijn.
WEL aftrekbaar = 350.000 × 8 % = 28.000 EUR.
NIET aftrekbaar = 150.000 × 8 % = 12.000 EUR.

Enkel de interesten die slaan op het gedeelte dat de 5/1-drempel overschrijdt (hier 150.000 EUR), worden dus verworpen.

Welke leningen worden geviseerd?

Hoe de lening precies verstrekt wordt, doet er niet toe: gewone leningen, leningen vertegenwoordigd door effecten en de rekening-courant vallen in principe allemaal onder het toepassingsgebied.

Toch vallen niet alle leningen onder deze regels. Zoals gezegd wil de fiscale wetgever vooral winstverschuivingen naar belastingparadijzen tegengaan. Daarom worden enkel ‘verdachte’ of ‘besmette’ leningen geviseerd.

Deze besmette leningen, zijn leningen waarvoor interesten worden betaald aan een aantal uitdrukkelijk in de wet opgesomde verkrijgers. Het gaat om leningen gekregen van (en interesten betaald aan) :

  • vennootschappen die lid zijn van dezelfde vennootschapsgroep als de schuldenaar: bv. moeder, dochter- en zusterbedrijven;
  • personen die niet onderworpen zijn aan de inkomstenbelasting, of die genieten van een aanzienlijk gunstiger fiscaal regime dan het Belgische.

Essentieel is dat er voor de toepassing van de regeling wordt gekeken naar wie de ‘werkelijke verkrijger’ van de interesten is. Het heeft dus geen zin om niet-verbonden tussenvennootschappen in te schakelen in de hoop zo aan de toepassing van deze regeling te ontsnappen. De wettekst voorziet uitdrukkelijk dat bij een lening van een (onafhankelijke) vennootschap, die gewaarborgd wordt door een ‘derde’ (een verbonden vennootschap van de lenende vennootschap) deze derde als de werkelijke verkrijger wordt beschouwd. Zo blijft de regeling toch van toepassing.

De teveel betaalde interesten vormen een verworpen uitgave.

Opmerkingen

Meestal wordt de verhouding vreemd vermogen/eigen vermogen beoordeeld op groepsniveau en niet op het niveau van de individuele vennootschap : dit is in het Belgisch systeem niet mogelijk, omdat wij geen fiscale consolidatie kennen.

De maatregel is van toepassing op alle vennootschappen ongeacht hun grootte, terwijl het eigenlijk de opzet van de bepaling is om ontwijkend gedrag van multinationals tegen te gaan: onze buurlanden voorzien dan ook meestal een de minimis-principe, waarbij kleinere ondernemingen worden gevrijwaard of de eerste schijf van overdreven interesten niet onder de regeling valt. 

.

 aangiftegids venb 2016   Voor meer uitleg over verworpen uitgaven en nog veel meer, zie de Aangiftegids Vennootschapsbelasting van Yves Verdingh

Gepubliceerd op 08-03-2016

  844