Nieuwe Vlaamse woonbonus vanaf 2016, een analyse

Update 06.01.2016: Onderstaande tekst gebaseerd op het ontwerpdecreet is integraal en zonder wijzigingen wet geworden.

 

Ook woonbonus voor tweede eigen woning

Na de recente wijziging vorig jaar voor leningen vanaf 2015, gaat Vlaanderen haar woonbonus opnieuw wijzigen voor leningen gesloten vanaf 2016. Dat blijkt uit het ontwerpdecreet ‘houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016’ (stuk 544/1), dat eind oktober in het Vlaams parlement werd ingediend. Het betreft leningen voor de eigen woning, die de kredietnemer in principe zelf betrekt. Voor die woning worden de fiscale voordelen toegekend door het gewest en niet meer door de federale overheid. Vandaag wordt de Vlaamse woonbonus enkel toegekend voor de eigen én enige woning. Die voorwaarden worden beoordeeld op 31 december van het leningsjaar. Maar vanaf 2016 vervalt de voorwaarde ‘enige woning’.

Drie Vlaamse woonbonusstelsels

We krijgen zo op korte tijd, voor de eigen woning, drie Vlaamse woonbonusregimes die naast elkaar blijven bestaan:

  • de oude Vlaamse woonbonus voor leningen gesloten in de periode 2005 t/m 2014 die na de zesde staatshervorming werd geërfd van de federale overheid. Die woonbonus bedraagt maximaal 3120 euro (2280 euro basisbedrag + gedurende de eerste tien leningsjaren: 760 euro + indien er drie kinderen zijn, 80 euro). De verhogingen van 760 en 80 euro worden toegekend zolang de woning de enige woning blijft. De woonbonus levert een belastingvermindering op tegen het zogenaamde marginaal belastingtarief. Dat tarief is afhankelijk van het inkomen van de kredietnemer en bedraagt minstens 30% en maximaal 50%. De belastingbesparing bedraagt dus maximaal 1560 euro per kredietnemer (3120 euro x 50%);
  • de nieuwe Vlaamse woonbonus van de eerste generatie voor leningen gesloten in 2015. Die woonbonus bedraagt maximaal 2360 euro (1520 euro basisbedrag + gedurende de eerste tien leningsjaren: 760 euro + indien er drie kinderen zijn, 80 euro). De verhogingen van 760 en 80 euro worden toegekend zolang de woning de enige woning blijft. De woonbonus levert een belastingvermindering op tegen 40%. De belastingbesparing bedraagt dus maximaal 944 euro per kredietnemer (2360 x 40%);
  • de nieuwe Vlaamse woonbonus van de tweede generatie voor leningen gesloten vanaf 2016. Die woonbonus zal worden toegekend voor dezelfde grensbedragen (1520 + 760 + 80 euro) en tegen hetzelfde percentage belastingvermindering (40%) als de nieuwe woonbonus eerste categorie (voor leningen gesloten in 2015). Het bedrag en het voordeel van de woonbonus wijzigen dus niet en zijn identiek aan die waarop leningen gesloten in 2015 recht geven.

 

Waarom dan een aparte categorie ‘nieuwe woonbonus van de tweede generatie’ invoeren? 

Omdat de toekenningsvoorwaarden voor die tweede generatie Vlaamse woonbonus grondig wijzigen. De belangrijkste nieuwigheid is dat de Vlaamse regering voor de toekenning van het basisbedrag van de woonbonus (1520 euro) afstapt van het principe dat de woning de enige woning van de kredietnemer moet zijn. Met andere woorden, het toepassingsgebied van de woonbonus wordt verruimd tot elke eigen woning, ongeacht of het een eerste, tweede of derde woning betreft. Zolang de woning maar wordt betrokken door de kredietnemer bij de betaling van de leningsuitgaven. Het hoeft dus niet meer noodzakelijk de enige woning te zijn.

Waarom de uitbreiding tot niet enige woning?

Die uitbreiding komt er als antwoord op een bizar neveneffect van de huidige Vlaamse woonfiscaliteit dat eerder werd blootgelegd op TaxWorld.be ‘Meer fiscaal voordeel voor tweede dan voor eerste woning’. Leent u als Vlaams inwoner in 2015 voor een eerste en enige woning die u zelf betrekt, dan geniet u de Vlaamse woonbonus die, als we abstractie maken van eventuele kinderen, jaarlijks maximaal 912 euro (2280 euro x 40%) belastingvermindering oplevert. Wordt u na 2015 eigenaar van een tweede woning, dan vervalt de verhoging van de woonbonus en levert die, gedurende de rest van de looptijd, nog slechts 608 euro op (1520 euro x 40%). Was u daarentegen al eigenaar van een woning en leent u in 2015 voor een tweede woning om die te betrekken, dan krijgt u de Vlaamse woonbonus niet - de woning is niet de enige – maar geniet u de Vlaamse belastingvermindering voor langetermijnsparen (tegen 30%) voor de kapitaalaflossingen en de Vlaamse gewone vermindering voor intresten (tegen 40%). Omdat het bedrag dat recht geeft op de vermindering langetermijnsparen hoger kan zijn dan het bedrag van de woonbonus en omdat Vlaanderen als enige gewest bovendien nog een voordeel toekent voor de intresten, kan het Vlaamse fiscale voordeel voor een tweede woning beduidend hoger liggen dan voor een eerste woning.

Hieraan wordt met het ontwerpdecreet nu paal en perk gesteld. Voor leningen gesloten vanaf 2016 kan het Vlaamse fiscale voordeel voor een tweede (eigen) woning nooit meer hoger zijn dan het voordeel voor de eerste woning. Die aanpassing gebeurt:

  • enerzijds door de Vlaamse belastingvermindering voor langetermijnsparen niet meer toe te kennen voor leningen gesloten vanaf 2016. De Vlaamse vermindering voor langetermijnsparen verdwijnt dus voor nieuwe leningen en
  • anderzijds door de Vlaamse gewone vermindering voor intresten tegen 40% evenmin nog toe te kennen voor leningen vanaf 2016. Ook dat fiscaal voordeel verdwijnt voor nieuwe leningen, in navolging van de andere gewesten.

Komt een lening voor een tweede woning (die men als hoofdverblijfplaats gebruikt) dan helemaal niet meer in aanmerking voor enig Vlaams fiscaal voordeel? Toch wel, dat voordeel wordt nu gewoon de woonbonus, niet meer niet minder, zij het dat die slechts voor het basisbedrag wordt toegekend. Aan de toekenning van de nieuwste Vlaamse woonbonus wordt dus niet langer de voorwaarde ‘enige woning’ gekoppeld, maar nog enkel de voorwaarde ‘eigen woning’.

Een lening gesloten vanaf 2016 voor een eigen woning komt zo nog enkel in aanmerking voor de woonbonus. Is die woning toevallig ook de enige woning op 31 december van het leningsjaar, dan is dat de woonbonus inclusief de verhogingen (maximaal 2360 euro). Is dat niet de enige woning, maar bijvoorbeeld een tweede woning waarnaar de kredietnemer verhuist, dan geldt enkel het basisbedrag van de woonbonus (maximaal 1520 euro). Vandaar dat voor leningen gesloten vanaf 2016 een nieuwe woonbonus van de tweede generatie wordt ingevoerd: de ‘geïntegreerde woonbonus’ zoals het ontwerpdecreet het zelf noemt. ‘Geïntegreerd’ omdat de nieuwste woonbonus voor élke eigen woning geldt, ongeacht of het de enige of niet de enige woning is, en ‘geïntegreerd’ omdat het decreet de Vlaamse woonbonus van de eerste generatie, de Vlaamse vermindering voor langetermijnsparen en de Vlaamse gewone vermindering voor intresten afschaft en integreert in één nieuwe Vlaamse woonbonus van de tweede generatie. Voor leningen gesloten vóór 2016 blijven echter de vroegere fiscale stelsels verder bestaan: het oude fiscale stelsel ‘Vlaams bouwsparen’ (leningen vóór 2005), de oude Vlaamse woonbonus (leningen vóór 2015) en de nieuwe Vlaamse woonbonus van de eerste generatie (leningen gesloten in 2015).

 

Geen combinatie van eerste en tweede generatie woonbonus

Wordt voor de eigen woning zowel een lening vóór 2016 gesloten als een lening vanaf 2016 (bijvoorbeeld voor een verbouwing), dan kunnen niet langer beide voordelen worden geclaimd, zoals dat nu wel nog kan voor de oude Vlaamse woonbonus (lening vóór 2015) en de nieuwe woonbonus van de eerste generatie (lening in 2015).
De kredietnemer moet, wanneer hij vanaf 2016 een lening sluit, kiezen welke lening hij fiscaal inbrengt: ofwel de oude lening gesloten vóór 2016, dan kan hij geen woonbonus verkrijgen voor zijn lening gesloten vanaf 2016. Ofwel kiest hij voor de woonbonusvermindering van zijn nieuwe lening, en dan kan hij zijn oude lening niet meer fiscaal inbrengen. Zodra hij de woonbonus claimt voor zijn nieuwe lening – dat hoeft niet noodzakelijk te gebeuren vanaf het jaar waarin die nieuwe lening werd gesloten – is die keuze definitief en verliest hij elk fiscaal voordeel voor zijn oude lening (art. 86 Ontwerpdecreet). Een kredietnemer die zijn nieuwe lening gesloten in 2016 pas inbrengt in zijn belastingaangifte van 2019, kan dus nog tot 2019 fiscaal voordeel blijven genieten voor zijn oude lening van vóór 2016.

20151109 schema woonbonus 2016

Vlaamse woonbonus(I) = oude Vlaamse woonbonus
Vlaamse woonbonus(II) = nieuwe Vlaamse woonbonus eerste generatie
Vlaamse woonbonus(III) = nieuwe Vlaamse woonbonus tweede generatie

Vergelijking lening 2015 en 2016 voor tweede woning

1.
X (geen kinderen) leent voor de aankoop van een tweede woning naar waar hij ook zal verhuizen.
X verkoopt zijn eerste woning niet, maar zal die na zijn verhuizing verhuren.
Lening 2015
De lening geeft recht op:

  • Vlaamse belastingvermindering voor langetermijnsparen voor de kapitaalaflossingen
      voordeel: max. 2280 x 30% = 684 euro
  • Vlaamse gewone belastingvermindering voor de intresten tegen 40%. Voordeel is afhankelijk van het KI van de eerste woning, maar loopt al snel op tot 500 euro of meer.

Lening 2016
De lening geeft recht op de Vlaamse woonbonus. Voordeel: 1520 x 40% = 608 euro

2.
X leent voor de aankoop van een tweede woning naar waar hij ook zal verhuizen.
X zet zijn eerste woning te koop in het leningsjaar en zal zijn eerste woning op tijd verkopen. Dat wil zeggen binnen één jaar na het leningsjaar.
Lening 2015
De lening geeft recht op de Vlaamse woonbonus op voorwaarde dat hij de tweede woning bewoont uiterlijk op 31 december 2017. Voordeel: 2280 euro x 40% = 912 euro
Lening 2016
De lening geeft recht op de Vlaamse woonbonus. Voordeel: 2280 euro x 40% = 912 euro

3.
X leent voor de aankoop van een tweede woning die hij zal verhuren. Hij blijft wonen in zijn eerste woning.
Lening 2015 of 2016
De lening geeft recht op:

  • Federale belastingvermindering voor langetermijnsparen voor de kapitaalaflossingen
      voordeel: max. 2260 x 30% = 678 euro
  • Federale gewone intrestaftrek. Voordeel is afhankelijk van het KI van de tweede woning, maar loopt al snel op tot 600 euro of meer.

Wat verandert er nog?

Het ontwerpdecreet is uiteraard niet definitief en kan nog worden geamendeerd. Op basis van de huidige ontwerptekst noteren we nog volgende wijzigingen:

Beoordeling van het eigen karakter van de woning

Voor hypothecaire leningen gesloten vanaf 2016 wordt de voorwaarde ‘eigen woning’ geharmoniseerd. Nu wordt die voorwaarde voor de toepassing van de woonbonus op 31 december van het leningsjaar beoordeeld, terwijl die voorwaarde, om te bepalen of Vlaanderen dan wel de federale overheid bevoegd is, bij iedere betaling van de leningsuitgaven wordt beoordeeld. Voor leningen gesloten vanaf 2016 zal ook voor de woonbonus het eigen karakter van de woning nog enkel worden beoordeeld bij de betaling van de leningsuitgaven. Bovendien verschilt de invulling van het begrip ‘eigen woning’: een woning die niet wordt betrokken door de kredietnemer kan toch fiscaal ‘eigen’ zijn als de niet bewoning wordt verantwoord door een wettelijke reden. Dat kunnen beroepsredenen (bv. de woning ligt te ver van de nieuwe job) of sociale redenen (bv. echtscheiding) zijn, maar ook contractuele belemmeringen (bv. de woning is verhuurd) of bouwwerkzaamheden (bv. de woning is nog in aanbouw). Voor de toepassing van de woonbonus kunnen die laatste twee redenen slechts gedurende twee jaar worden ingeroepen. Om uit te maken of het Vlaamse gewest bevoegd is, kunnen die redenen zonder tijdslimiet worden ingeroepen. Voor de nieuwe woonbonus die vanaf 2016 geldt, zullen de wettelijke redenen nu ook onbeperkt in de tijd kunnen worden ingeroepen. Dat is een goede zaak. Als een nieuwbouw aansleept en de woning na twee jaar nog steeds niet bewoond is door de kredietnemer, zal de Vlaamse woonbonus voor leningen vanaf 2016, in tegenstelling tot nu, niet meer verloren gaan.

Hypotheekoverdracht

De hypotheekoverdracht of -ruil wordt vaak toegepast wanneer men een woning inruilt voor een andere woning. De oude woning wordt verkocht en de hypotheek op die oude woning wordt overgedragen naar de nieuwe woning (pandwissel). De hypotheek loopt dus gewoon verder. Het fiscaal voordeel waarop die lening recht geeft, wijzigt op zich niet door de hypotheekoverdracht. Alleen zal dat voordeel niet meer door het gewest maar door de federale overheid worden toegekend. De oude woning is immers uit het vermogen van de kredietnemer verdwenen en kan dus onmogelijk nog als de eigen woning worden beschouwd. De Vlaamse woonbonus waarop een lening voor de eigen woning A gesloten in 2010 recht geeft, wordt dus na de verkoop van woning A en de hypotheekoverdracht naar de nieuwe eigen woning B een federale woonbonus. Dat is een gevolg van de zesde staatshervorming en uitdrukkelijk bevestigd door de federale belastingadministratie in haar circulaire van 12 januari 2015.
Is de overgedragen hypotheek echter gesloten na 2013 of wordt de oude woning verkocht na 2015, dan kan de lening niet meer terugvallen op de federale woonbonus. Ook een gevolg van de zesde staatshervorming. De lening kan dan nog uitsluitend recht geven op de federale belastingvermindering voor langetermijnsparen. De intresten leveren federaal geen fiscaal voordeel meer op. Omdat de vermindering voor langetermijnsparen afhankelijk is van het inkomen, valt men na de pandwissel mogelijk van een royale oude Vlaamse woonbonus terug op een schrale federale belastingvermindering voor langetermijnsparen. Om dit euvel te verhelpen voert de Vlaamse regering een nieuwe wettelijke fictie in: wanneer de oude woning A na 2015 wordt verkocht, wordt de lening geacht te zijn aangegaan voor de nieuwe woning B waarnaar de hypotheek werd overgedragen (art. 79 2° en 81 ontwerpdecreet). Die wettelijke fictie geldt ongeacht de leningsdatum.
Gevolg: de lening is niet langer gesloten voor de oude verkochte woning A, maar wel voor de nieuwe eigen woning B waardoor de Vlaamse woonbonus verder toegekend blijft. Is de overgedragen hypotheek gesloten vóór 2015, dan is dat nog de voordeligere oude Vlaamse woonbonus. Uiteraard opent de hypotheekoverdracht geen nieuwe termijn van tien jaar voor de toekenning van de verhoogde woonbonus.
De nieuwe Vlaamse wettelijke fictie geldt vanzelfsprekend niet federaal. Dat leidt tot een overlap van de fiscale voordelen: voor de kapitaalaflossingen van een overgedragen hypotheek kent Vlaanderen de Vlaamse woonbonus toe, terwijl federaal nog de belastingvermindering voor lange termijnsparen wordt verleend. Een dubbel voordeel?
Te mooi om waar te zijn. De Vlaamse woonbonus zal maar worden toegekend als de kredietnemer niet ook de federale belastingvermindering voor langetermijnsparen claimt. Opmerkelijk, want dat druist in tegen een van de axioma’s van de zesde staatshervorming: bij samenloop van zowel federale als gewestelijke fiscale voordelen wordt steeds voorrang gegeven aan de gewestelijke voordelen. Hier geldt het omgekeerde: het Vlaams voordeel wordt slechts toegekend voor zover de federale overheid niet tussenkomt. Meestal is de Vlaamse woonbonus voordeliger dan het federale langetermijnsparen en dan stelt er zich geen probleem. Enkel de Vlaamse woonbonus wordt gevraagd in de aangifte en enkel dat voordeel wordt toegekend. Maar is het federale langetermijnsparen voordeliger, dan wordt dat voordeel naar de letter van de wet uitgehold. Artikel 146/6 lid 1 van het WIB92 stelt immers dat de ‘korf langetermijnsparen’ moet worden verminderd met de leningsuitgaven waarvoor het basisbedrag van de Vlaamse woonbonus kan worden verleend, ook al wordt die niet daadwerkelijk verleend. Dus Vlaanderen komt slechts tussen als de federale overheid dat niet doet, en de federale overheid komt slechts tussen als het Vlaamse gewest dat niet (potentieel) kan. Een mooi voorbeeld van een rondje zwartepieten…

Zorgwoning

Ook in geval van een zorgwoning voert het ontwerpdecreet een nieuwe wettelijke fictie in en ontstaat er een overlap van Vlaamse en federale voordelen.
Vlaanderen promoot ‘zorgwonen’, een formule waarbij men in een bestaande woning een ondergeschikte wooneenheid creëert voor hulpbehoevende of bejaarde personen, vaak ouders of grootouders. Soms zijn die personen fiscaal ten laste van de kredietnemer, maar vaak ook niet. Het deel van de woning dat wordt betrokken door personen die fiscaal niet ten laste zijn van de kredietnemer en die dus fiscaal geen deel uitmaken van zijn gezin, wordt op basis van de bijzondere financieringswet uitdrukkelijk aangemerkt als ‘niet-eigen woning’ (art. 5/5 §4 lid2 BFW). Leningsuitgaven die betrekking hebben op het hele gebouw, inclusief het zorggedeelte, moeten dus volgens de letter van de wet worden gesplitst over Vlaamse en federale aangifterubrieken. De Vlaamse woonbonus kan m.a.w. niet worden verleend voor het zorggedeelte. De Vlaamse belastingadministratie ziet dit evenwel anders en beschouwt de volledige woning, inclusief het zorggedeelte, als eigen woning: “vermits het zorggedeelte gecreëerd wordt binnen één bestaande woning, één fysiek geheel vormt met de hoofdwooneenheid en een zeer beperkt bouwvolume heeft, worden het zorggedeelte en de hoofdwooneenheid uitdrukkelijk als één wooneenheid aangemerkt” (memorie van toelichting bij het ontwerpdecreet, stuk 544, p.30). Omwille van de rechtszekerheid bouwt het Vlaams ontwerpdecreet veiligheidshalve toch een nieuwe wettelijke fictie in, en dit zowel voor leningen gesloten vóór als vanaf 2016: “de personen die de belastingplichtige in het kader van zorgwonen huisvest, worden geacht deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige(art. 79 3° en 82 ontwerpdecreet). Op basis van die fictie moet de Vlaamse woonbonus dan ook niet pro rata worden beperkt, maar geldt die voor het hele gebouw, inclusief het zorggedeelte.
Maar ook die Vlaamse wettelijke fictie bindt de federale belastingadministratie niet. Federaal worden ‘zorgpersonen’, die fiscaal niet ten laste zijn, nog steeds beschouwd als ‘geen deel uitmakend van het gezin’ waardoor het door hen betrokken ‘zorggedeelte’ van de woning nog steeds ‘niet eigen’ is. Men kan zich de vraag stellen of de Vlaamse overheid haar bevoegdheid niet overschrijdt. Niet omdat zij een fiscaal voordeel toekent voor een niet eigen woning. De gewesten kunnen dat op basis van de financieringswet. Zij maken daar ook gebruik van. Denk maar aan de gewestelijk vermindering voor dakisolatie die niet alleen voor de eigen woning geldt, maar ook voor een tweede of derde woning wordt toegekend. Vlaanderen treedt haar boekje m.i. wel te buiten door het begrip ‘eigen woning’ dat gebetonneerd zit in de bijzondere financieringswet en dat enkel kan worden gewijzigd met een nieuwe staatshervorming, op eigen houtje uit te breiden met ‘het niet zelf betrokken gedeelte van de woning dat wordt betrokken door specifieke zorgpersonen’. Juridisch is het veel veiliger niet te raken aan het toepassingsgebied van artikel 5/5 §4 van de bijzondere financieringswet, gewoon te erkennen dat het zorggedeelte van een zorgwoning ‘niet eigen’ kan zijn en decretaal te bepalen dat de Vlaamse woonbonus gewoon ook wordt verleend voor dat zorggedeelte.
Maar met de nieuwe wettelijk fictie is het nu wel duidelijk dat de Vlaamse woonbonus integraal geldt voor de hele woning, inclusief het zorggedeelte. Terwijl voor de leningsuitgaven met betrekking tot dat zorggedeelte mogelijk ook nog de federale belastingvermindering voor langetermijnsparen en de federale gewone intrestaftrek worden toegekend. Voor hetzelfde bedrag aan intresten en kapitaalaflossingen. En in tegenstelling tot de wettelijke fictie in het kader van de hypotheekoverdracht (zie hoger), wordt de Vlaamse woonbonus voor het zorggedeelte niet afhankelijk gemaakt van het al dan niet aanvragen van de federale belastingvermindering. 

Geen Vlaamse vermindering meer voor intresten tegen 40%

Voor leningen gesloten vanaf 2016 verdwijnt, zoals eerder gezegd, de Vlaamse gewone belastingvermindering voor intresten tegen 40%. De zesde staatshervorming had dat fiscale voordeel stopgezet, maar het Vlaamse gewest heeft die vermindering, als enige gewest, opnieuw gereanimeerd. Voor even slechts. Omdat die vermindering vooral een tweede eigen woning ten goede komt, wordt die, om de gekende reden – geen hoger Vlaams fiscaal voordeel voor een tweede dan voor een eerste woning - opnieuw afgevoerd.
Maar dat betekent ook dat de intresten met betrekking tot het volmacht- of mandaatgedeelte van een lening voor een eerste woning, niet meer in aanmerking komen voor enig Vlaams fiscaal voordeel, noch de woonbonus, want die vereist een hypothecaire inschrijving, noch de gewone vermindering voor intresten (tegen 40%), want die wordt afgeschaft voor leningen gesloten vanaf 2016.

Schuldsaldoverzekering niet meer ‘uitsluitend’

Naast de intresten en kapitaalaflossingen van een hypothecaire lening voor de eigen woning, geven ook de premies van een schuldsaldoverzekering die die lening waarborgt, recht op de Vlaamse woonbonus. Tot nu werd steeds vereist dat de verzekering uitsluitend een hypothecaire lening afdekte, dus ook niet meer dan die hypothecaire lening. Sloot men een hypotheek voor 100.000 euro en een lening met hypothecaire volmacht eveneens voor 100.000 euro, die beiden worden gewaarborgd door één schuldsaldoverzekering met een totaal verzekerd bedrag van 200.000 euro, dan kwam die verzekering niet in aanmerking voor de woonbonus, ook niet gedeeltelijk.
Van dat principe wordt nu afgestapt in het Vlaamse gewest, maar enkel voor schuldsaldoverzekeringen die nieuwe leningen gesloten vanaf 2016 waarborgen. De voorwaarde ‘uitsluitend’ vervalt en ruimt baan voor een ‘pro rata beperking’ (art. 82 Ontwerpdecreet). Dat wil zeggen dat de premie in aanmerking komt voor de Vlaamse woonbonus voor zover ze een hypothecaire lening waarborgt die recht geeft op de Vlaamse woonbonus. Concreet, bij een hypotheek van 100.000 euro, een hypothecaire volmacht van 100.000 euro en een totaal verzekerd bedrag van 200.000 euro, komt nu de helft van de premie in aanmerking voor de Vlaamse woonbonus. Dat geldt voor alle verzekeringen die een hypothecaire lening gesloten vanaf 2016 waarborgen, zelfs al werd de verzekering zelf vóór 2016 aangegaan.

Wel nog hoger federaal fiscaal voordeel voor lening tweede verblijf

Vlaanderen mag dan wel het mogelijk hogere fiscale voordeel voor een tweede eigen woning in vergelijking met een eerste eigen woning wegwerken, maar dat neemt niet weg dat het fiscaal voordeel van een lening voor eigenlijke tweede verblijven die niet door de kredietnemer worden betrokken, en waarvoor de federale overheid bevoegd is, nog steeds beduidend hoger kan liggen dan het fiscaal voordeel van de Vlaamse woonbonus. Zie ‘Meer fiscaal voordeel voor tweede dan voor eerste woning’. Die discrepantie wegwerken vereist immers ook een federaal wetgevend initiatief en dat is voorlopig niet aan de orde. Die discrepantie zal zich trouwens nog sterker stellen in het Brussels Gewest dat vanaf 2017 de woonbonus gewoon afschaft.

Moloch

De Vlaamse regering maakt volop gebruik van haar nieuw verworven bevoegdheden. Na een eerste budgettaire inkrimping van de woonbonus vorig jaar, pakt ze dit jaar de woonbonus conceptueel aan. Met de uitbreiding tot alle eigen woningen (enige én niet enige), wordt de Vlaamse woonfiscaliteit vanaf 2016 gestroomlijnd en wordt een belangrijke lacune in de wetgeving weggewerkt. Alleszins gedeeltelijk. De lacune blijft immers bestaan zolang een federaal initiatief uitblijft. Dat is meteen ook het structurele probleem van de woonfiscaliteit anno 2015: het eigen regionaal fiscaal beleid wordt gehypothekeerd, ja zelfs gegijzeld, door initiatieven, of het gebrek eraan, van andere overheden. De Vlaamse woonfiscaliteit is intussen compleet versnipperd, met vier fiscale stelsels voor respectievelijk leningen gesloten vóór 2005, tussen 2005 en 2014, in 2015 en vanaf 2016, die allemaal naast elkaar blijven bestaan, en waarbij voordelen uit verschillende stelsels de ene keer wel, de andere keer niet kunnen worden gecombineerd. Ook het Waalse gewest kondigde een hertekening van haar woonbonus aan vanaf 2016, ook met behoud van haar vroegere fiscale stelsels. Reken daarbij het feit dat gewesten bevoegd kunnen zijn voor woningen gelegen in een ander gewest en er in één jaar meerdere stelsels van meerdere overheden kunnen gelden voor een woning, dan mag het duidelijk zijn dat de personenbelasting en zeker de woonfiscaliteit in dit land uitgroeit tot een moloch. Oncontroleerbaar, onbeheersbaar en op termijn onhoudbaar. En daar kan de afschaffing van een federale tariefschijf niets aan veranderen...

Gepubliceerd op 08-11-2015

  1313