Minister ondervraagd over forfaitaire voordelen en marktconforme vergoedingen

Gepubliceerd op 17-02-2020

De forfaitaire waardering van een voordeel van alle aard is niet van toepassing als de belastingplichtige kan aantonen dat de marktwaarde van het voordeel lager is. Dat de genieter van het voordeel een vergoeding betaalt ten belope van die marktwaarde, vol­staat dus om enig belastbaar voordeel uit te sluiten. Dat blijkt uit de recente rechtspraak. Maar zal de fiscus zich neerleggen bij die rechtspraak? De vraag is bovendien of dat principe ook in de omgekeerde richting werkt.

Recente rechtspraak stelt o.a. dat de betaling door een bedrijfsleider van een marktconforme vergoeding voor een dienst van zijn vennootschap, het ontstaan van een (hoger) forfaitair voordeel van alle aard in zijn hoofde uitsluit. De minister van Financiën werd gevraagd of die rechtspraak ook ingeroepen kan worden “in de omge­keerde richting”: of de fiscus de forfaitaire waardering van een voordeel van alle aard desge­vallend kan vervangen door een waardering op basis van de (hogere) werkelijke waarde.

De essentie: marktconforme vergoeding sluit voordeel alle aard uit

  503