Interne meerwaarden en ‘overtollige liquiditeiten’: rulingcommissie verfijnt standpunt

Eind november publiceerde de rulingcommissie op haar website (www.ruling.be) een nieuw advies inzake meerwaarden op aandelen. Dit nieuwe advies van 28 november 2013 vervangt het eerdere advies van 22 maart 2013 dat er op zijn beurt kwam ter vervanging van het advies van 22 maart 2011. In haar nieuw advies verfijnt de rulingcommissie het begrip en de evaluatie van de zogenaamde ‘overtollige liquiditeiten’, hetgeen alvast kan worden toegejuicht gezien de onduidelijkheid die daaromtrent ontstond na het eerdere advies van 22 maart 2013. Bovendien herziet de rulingcommissie in haar nieuw advies op opmerkelijke wijze de te nemen engagementen in het kader van een ruling, en dit in het licht van haar verfijning van de analyse inzake overtollige liquiditeiten.

Interne meerwaarden

‘Interne meerwaarden’ zijn meerwaarden op aandelen verwezenlijkt door een natuurlijke persoon naar aanleiding van de overdracht (verkoop of inbreng) van deze aandelen aan een holdingvennootschap die, rechtstreeks of onrechtstreeks, wordt gecontroleerd door de overdrager.

Hierna beperken we ons tot de interne meerwaarden verwezenlijkt ingevolge de inbreng (en niet verkoop) in een holdingvennootschap. Naar aanleiding van dergelijke inbreng klikt men de latente meerwaarden op de aandelen vast door de vorming van fiscaal gestort kapitaal in de holding ten belope van de werkelijke waarde van de ingebrachte aandelen. Ten belope van dit fiscaal gestort kapitaal kan (desgewenst) in een latere fase een belastingvrije kapitaalvermindering in de holdingvennootschap plaatsvinden.

Sinds eind jaren negentig worden interne meerwaarden geviseerd door de belastingadministratie op basis van artikel 90, 9°, 1e streepje WIB92 (voorheen artikel 90, 1° WIB92). Op basis van dat artikel zijn meerwaarden op aandelen (verwezenlijkt buiten het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid) belastbaar als diverse inkomsten, tenzij zij voortkomen uit normaal beheer van privévermogen. Als meerwaarde wordt beschouwd het verschil tussen de waarde waarvoor men de ingebrachte aandelen heeft verkregen en de waarde waarvoor ze zijn ingebracht. Vaak is de meerwaarde haast even groot als de inbrengwaarde. Het tarief van de belasting op deze meerwaarden bedraagt 33 % verhoogd met aanvullende gemeentebelasting.

Omtrent de toepassing van artikel 90, 9° WIB92 en inzonderheid het begrip ‘normaal beheer van privévermogen’ is sindsdien al heel wat inkt gevloeid, zowel in rechtspraak en rechtsleer als vanuit de administratie. Ook de rulingcommissie heeft hieromtrent een uitgebreide praktijk uitgebouwd.

Advies 22 maart 2011

In haar advies van 22 maart 2011 lichtte de rulingcommissie voor het eerst haar richtlijnen toe bij de beoordeling of een verrichting al dan niet een ‘normale verrichting van beheer van privévermogen’ in het licht van artikel 90, 9° WIB92 uitmaakt. Bij de rulingcommissie kan men immers een bindende beslissing (‘ruling’) vragen omtrent de toepassing van de fiscale wet met betrekking tot een concrete verrichting; om zich te vergewissen van de correcte toepassing van de fiscale wet hanteert de rulingcommissie onder meer een aantal zelf ontwikkelde toetsstenen.

Zo schreef de rulingcommissie in voormeld advies voor dat bij de inbreng van aandelen in een eigen holding bepaalde engagementen moesten worden aangegaan ten einde de intentie van de verrichting weer te geven. Deze engagementen voorzagen in een stand-still periode van drie jaar na de inbrengverrichting gedurende dewelke geen kapitaalvermindering mocht plaatsvinden in de holding of de onderliggende vennootschap(pen) en de bestaande dividenduitkeringen, management fees en bestuurdersbezoldigingen van de werkvennootschap(pen) naar de holding in principe niet mochten wijzigen. Deze engagementen gingen terug op een antwoord van de minister van Financiën op een parlementaire vraag van 3 oktober 2005.

Op die manier wou de rulingcommissie er zich van vergewissen dat de implementatie van een holdingvennootschap niet in hoofdzaak tot doel heeft liquiditeiten in de onderliggende vennootschap(pen) (op korte termijn) op nagenoeg belastingvrije wijze op te stromen naar de aandeelhouder-natuurlijke persoon (via dividenduitkeringen onder het dbi-regime naar de holding en vervolgens een belastingvrije kapitaalvermindering naar de aandeelhouder-natuurlijke persoon). Door de implementatie van een holding kan immers de dividendbelasting van (op vandaag) 25 % worden vermeden wanneer men vennootschapswinsten opstroomt aan de aandeelhouder-natuurlijke persoon.

De termijn van drie jaar na de inbrengverrichting gaat terug op de termijn gedurende dewelke de verrichting op basis van artikel 90, 9° WIB92 door de administratie kan worden aangevochten. Indien binnen deze termijn door de administratie kan worden aangetoond dat de implementatie van de holding in hoofdzaak tot doel heeft de dividendbelasting te vermijden (bv. door kapitaalvermindering op korte termijn zonder creatie van toegevoegde waarde in de holding) kan desgevallend door de administratie worden aangevoerd dat de inbrengverrichting geen normaal beheer van privévermogen uitmaakt.

Naast deze engagementen vereist de rulingcommissie ook een marktconforme waardering van de aandelen (onderbouwd in een waarderingsverslag te bezorgen aan de lokale controleur) en houdt ze bij haar beoordeling tevens rekening met de handelingen gesteld voor en na de inbrengverrichting.

In de praktijk zal het normaal beheer van privévermogen bovendien voldoende in concreto moeten worden gemotiveerd, bijvoorbeeld door het aanvoeren van voldoende rechtmatige financiële en economische behoeften in hoofde van de aanvragers voor het uitbouwen van een holding.

Advies 22 maart 2013

Het advies van 22 maart 2011 werd eerder dit jaar door de rulingcommissie vervangen door het advies van 22 maart 2013. In dit advies lichtte de rulingcommissie voor het eerst haar richtlijnen toe bij de beoordeling van de zogenaamde ‘overtollige liquiditeiten’ die op het moment van inbrengverrichting aanwezig zijn in de onderliggende vennootschappen waarvan de aandelen worden ingebracht in een eigen holding. Voorafgaand aan dit advies bleek reeds uit concrete dossiers dat ‘overtollige liquiditeiten’ voortaan een aandachtspunt vormen voor de rulingcommissie: de stand-still periode van drie jaar leek hiertoe geen voldoende garantie meer te zijn voor de rulingcommissie.

De rulingcommissie beklemtoont in het advies van 22 maart 2013 dat ze er zich van zal verzekeren dat de verrichting niet tot doel heeft overtollige liquiditeiten die voorheen door de onderliggende vennootschappen werden opgebouwd belastingvrij uit te keren (zie hierboven: via dividenduitkeringen onder het dbi-regime en vervolgens een belastingvrije kapitaalvermindering). Bij dergelijke situaties kunnen de aanvragers volgens de rulingcommissie overwegen om voorafgaand aan de verrichting dividenden uit te keren die overeenstemmen met deze overtollige liquiditeiten. Bij de beoordeling van de overtollige liquiditeiten stelt de rulingcommissie tot slot rekening te zullen houden met de bedrijfspolitiek alsook met de behoefte aan liquiditeiten die nodig zijn voor de normale werking van de groep waarop de verrichting betrekking heeft.

Uit dit advies alsook uit de praktijk bleek dat de rulingcommissie weigerachtig was om een positieve ruling af te leveren indien de onderliggende vennootschappen over overtollige liquiditeiten beschikten op het moment van de inbrengverrichting, tenzij voldoende kon worden aangetoond dat deze overtollige liquiditeiten werkkapitaal vormden voor de betrokken vennootschap(pen) en groep of noodzakelijk waren voor concrete investeringen.

Advies 28 november 2013

De beoordeling van overtollige liquiditeiten bleek in concrete dossiers echter geen sinecure, zowel voor de rulingcommissie als voor de aanvragers. Zo was er de vraag naar wat precies onder overtollige liquiditeiten moest worden begrepen: enkel de liquide middelen of ruimer? Ook een sluitende beoordeling of deze ‘overtollige liquiditeiten’ wel in concreto overtollig zijn voor de vennootschap bleek moeilijk. Het advies van 28 november 2013 komt hieraan tegemoet.

Het advies geeft vooreerst bijkomende duiding bij het begrip ‘overtollige liquiditeiten’. De rulingcommissie wijst erop dat in geval van overtollige liquiditeiten geen onderscheid zal worden gemaakt naargelang deze bestaan “uit een ‘spaarpot’ die vennootschappen in de loop der jaren hebben aangelegd, dan wel uit effecten of beleggingsproducten waarin vennootschappen hun voorheen overtollige liquiditeiten in hebben belegd (effectieve geldbeleggingen) of nog uit onroerend goed dat geen deel uitmaakt van hun core business (onroerend goed bestemd voor verhuur aan derden of voor eigen gebruik)”.

De rulingcommissie lijkt dus onder ‘overtollige liquiditeiten’ te verstaan alle in de werkvennootschap(pen) opgepotte liquiditeiten, al dan niet (her)belegd in roerende of onroerende waarden, die niet dienen voor de uitoefening van de ‘core business’.

Deze ‘overtollige liquiditeiten” zijn desgevallend niet ‘overtollig’ voor de betrokken vennootschappen want nodig als werkkapitaal of voor toekomstige investeringen. De rulingcommissie herhaalt ter zake in haar advies dat bij de beoordeling van ‘overtollige liquiditeiten’ rekening zal worden gehouden met de bedrijfspolitiek en de bedrijfseconomische context alsook met de behoefte aan liquiditeiten die nodig zijn voor de normale werking van de betrokken vennootschap of groep. In de praktijk bleek dit een moeilijke toetssteen: hoe kan in concreto worden begroot wat op lange termijn nodig is als werkkapitaal (mede rekening houdend met de bedrijfseconomische context) en wat nodig is voor investeringen?

Door de toevoeging van de volgende passage legt de rulingcommissie de verantwoordelijkheid ter zake bij de belastingplichtige. Ze voegt aan het advies toe dat de aanvragers desgevallend een uitgebreide verantwoording moeten verstrekken inzake “de noodzaak van het behoud van de huidige beleggingen en inzake de toekomstige besteding van de overtollige liquiditeiten”. De rulingcommissie zal daarvan kennis nemen en desgevallend menen dat “in die omstandigheden bij de inbreng een voorafgaande dividenduitkering van de overtollige liquiditeiten achterwege kan blijven, te meer daar de controle van de aangehaalde motieven naar een later ogenblik wordt verschoven.”

Met deze laatste zinsnede verwijst de rulingcommissie naar de toetsing van een eventuele latere kapitaalvermindering in de holding aan de algemene antimisbruikbepaling artikel 344, §1 WIB92, de zogenaamde ‘nieuwe a posteriori benadering’. Ze stelt in dit verband in haar advies dat bij een latere kapitaalvermindering (zowel op korte termijn als op middellange of lange termijn) het aanbeveling verdient dat de motieven voor de inbrengverrichting zoals opgenomen in de ruling worden getoetst aan wat hiervan op het moment van de kapitaalvermindering effectief werd gerealiseerd. In diezelfde zin zal worden geoordeeld m.b.t. de motieven inzake zowel het behoud als de besteding van overtollige liquiditeiten en beleggingen.

De rulingcommissie zal uitspraak doen over de inbrengverrichting in het kader van artikel 90, 9° WIB92 (hetgeen gedurende drie jaar na de verrichting kan worden gecontroleerd), maar niet over de toepassing van artikel 344, §1 WIB92. Iedere latere kapitaalvermindering (op eendere welke termijn na de inbrengverrichting) kan worden getoetst aan artikel 344, §1 WIB92 rekening houdend met de motieven die destijds werden aangehaald voor de oprichting van de holding en het behoud en de besteding van de ‘overtollige liquiditeiten’.

In die zin acht de rulingcommissie het dan ook niet meer noodzakelijk de engagementen voor een stand-still periode van drie jaar aan te gaan. Ze weet zich op dit punt immers voortaan afgedekt door de draagwijdte van artikel 344, §1 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen.

Het nieuwe standpunt van de rulingcommissie lijkt efficiënter aan te sluiten bij haar doelstelling inzake overtollige liquiditeiten, met name vermijden dat de implementatie van de holdingvennootschap er in hoofdzaak op gericht is de ‘overtollige liquiditeiten’ aanwezig op het moment van de inbrengverrichting nagenoeg belastingvrij op te stromen naar de aandeelhouder-natuurlijke persoon om zo de dividendbelasting te vermijden. De vraag rest in welke mate de rulingcommissie genoegen zal nemen met de motivering vanwege de aanvrager opdat de overtollige liquiditeiten voorafgaandelijk aan de inbrengverrichting niet moeten worden uitgekeerd.

Vervolgens rijst de vraag hoe een latere kapitaalvermindering zal worden beoordeeld in het licht van artikel 344, §1 WIB92. De administratie zal moeten bewijzen dat men door de combinatie van de implementatie van een holding en vervolgens een kapitaalvermindering in de holding de doelstelling van een welbepaalde fiscale bepaling frustreert (in casu: de uitkering van vennootschapswinsten aan natuurlijke personen onderworpen aan dividendbelasting), en dit van meet af aan beoogde. Indien de motieven zoals aangegeven in de ruling voor de oprichting van de holding alsook de motieven voor het behoud van de overtollige liquiditeiten niet werden bewerkstelligd, lijkt men in de gevarenzone te komen.

Het nieuwe advies van de rulingcommissie inzake interne meerwaarden lijkt een duidelijker en efficiënter kader te scheppen voor de discussie over ‘overtollige liquiditeiten’. Overtollige liquiditeiten kunnen worden behouden indien de noodzaak daartoe wordt gemotiveerd. De verantwoordelijkheid ter zake wordt voortaan bij de betrokken belastingplichtige gelegd aangezien iedere latere kapitaalvermindering kan worden getoetst aan artikel 344, §1 WIB92. De toekomst zal uitwijzen hoe de rulingcommissie hier in de praktijk zal mee omgaan. 

Imposto advocaten

Gepubliceerd op 09-01-2014

  495