Het recht op de uitbating van een artsenpraktijk is niet verhuurbaar, de artsenpraktijk wel

Kan een artsenpraktijk nu het voorwerp uitmaken van een verhuur door een zelfstandige arts aan een zelf opgerichte artsenvennootschap? En zo ja, kunnen de aldus door de arts gegenereerde huurinkomsten kwalificeren als roerende inkomsten uit verhuur in de zin van artikel 17, § 1, 3° WIB 92 (belastbaar aan het tarief van 15 %), of kwalificeren deze inkomsten eerder als bedrijfsleidersbezoldigingen in de zin van 32 WIB 92 (belastbaar aan het progressief tarief)?

De administratie neemt in bepaalde gevallen het standpunt in dat de goodwill van een artsenpraktijk niet het voorwerp van een overdracht in genot (dit is een verhuur) zou kunnen uitmaken; men verwijst daarvoor in essentie naar het feit dat patiënten de vrije keuze van arts zouden hebben en dat de daaraan verbonden goodwill daardoor niet in de handel zou zijn.

Vooreerst dient in dit verband te worden verwezen naar de Code van Geneeskundige plichtenleer van de Orde van Geneesheren (dit is de deontologische code voor geneesheren) waar men er principieel vanuit gaat dat de geneeskundige praktijk, met inbegrip van de immateriële bestanddelen, zelfs in eigendom kan worden overgedragen aan de professionele artsenvennootschap. Wat men in eigendom kan overdragen, kan men uiteraard ook slechts in genot (door middel van verhuur) overdragen. Qui peut le plus, peut le moins.

De Advocaat-Generaal bij het Hof van Cassatie, gevat naar aanleiding van een arrest van het hof van beroep van Gent van 9 maart 2010, bevestigt in zijn conclusie dat ook een arts over een “praktijk” met daaraan verbonden goodwill beschikt. De Advocaat-Generaal stelt uitdrukkelijk het volgende voorop:

“De appelrechters gaan er m.i. ten onrechte van uit dat de inbreng van cliënteel van een dokter in een vennootschap niet mogelijk is, omdat de cliënten vrij zijn zich tot een andere dokter te wenden. Aldus gaan zij uit van een verkeerde voorstelling van de inhoud van het begrip cliënteel. Uiteraard zijn de patiënten vrij om te gaan waar zij willen, maar het lijdt geen twijfel dat de meeste cliënten inert zijn en blijven gaan waar ze dat gewoon zijn, zeker wanneer, zoals in voorkomend geval, de inbreng in vennootschap, op het terrein niets wijzigt aan de materiële wijze van zorgverstrekking. Of de dokter hen uit eigen naam behandelt, dan wel als werkend vennoot van een vennootschap, is immers niet relevant. Het is die waarschijnlijkheid dat de patiënten zullen blijven gaan, waar ze dat gewoon zijn, die een voorspelbare bron van toekomstige inkomsten oplevert en derhalve een in geld waardeerbaar actief uitmaakt.

Het Hof van Cassatie is in haar arrest van 19 januari 2012 uiteindelijk niet overgegaan tot het verbreken van het arrest van het hof van beroep van Gent van 9 maart 2010 (waarbij een arts zijn praktijk in eigen naam had stopgezet en ‘het recht op uitbating van zijn praktijk’ had verhuurd aan een zelf opgerichte artsenvennootschap). Het hof is in de betrokken casus gevallen over de bewoordingen in de betrokken overeenkomst, meer bepaald de bewoording dat het “recht op de uitbating van het cliënteel” wordt verhuurd. Het Hof van Cassatie meent (terecht) dat de overdracht in genot (via verhuur) van een “recht op uitbating van cliënteel” de overdracht van het recht om de geneeskunde uit te oefenen met zich mee brengt; de overdracht van het recht om de geneeskunde uit te oefenen is niet mogelijk doordat de geneeskunde enkel kan worden uitgeoefend door zij die over het daartoe vereiste diploma beschikken.

Wanneer men daarentegen een artsenpraktijk in huur geeft, draagt men “de waarschijnlijkheid dat de patiënten zullen blijven gaan waar ze dat gewoon zijn” (zie hierboven het standpunt Advocaat-Generaal bij het Hof van Cassatie) – en dus een voorspelbare bron van inkomsten – over in genot. Het “uitbatingsrecht” wordt daarmee niet in genot overgedragen, want de huurder-artsenvennootschap moet zichzelf dermate kunnen organiseren dat ze aan alle voorschriften voldoet om de geneeskunde te kunnen uitoefenen (onder andere door de geneeskunde uit te oefenen door de tussenkomst van een geneesheer).

Een artsenpraktijk kan dus worden overgedragen aan een opgerichte professionele artsenvennootschap en als dusdanig roerende inkomsten uit verhuring opleveren. Het recht om de artsenpraktijk – eenmaal verworven – uit te baten, kan uiteraard niet worden verhuurd; daartoe moet de artsenvennootschap zichzelf intern organiseren door een gekwalificeerd geneesheer te laten tussenkomen.

Gepubliceerd op 25-10-2012

  460