Hervorming vennootschapsrecht - een gesprek met de experts: Brecht Lambrecht

Naar aanleiding van de op til zijnde hervorming van het vennootschapsrecht spraken we met enkele experts over hun ervaringen en bevinden. Wat is er goed aan de hervorming en wat kan nog beter? In een tweede gesprek laten we meester Brecht Lambrecht, aan het woord. Met hem spraken we over de recente tendensen in het vennootschapsrecht.

Kan u zicht kort voorstellen?

Ik genoot mijn opleiding rechten aan de Universiteit Gent en eindige toen reeds met opties in het ondernemingsrecht. Na mijn rechtenopleiding volgde ik een Manama in Businessplanning (soort master in management) aan de Vlekho Business School. Daarnaast behaalde ik ook een aggregaat lerarenopleiding in de rechten. Bedoeling was een iets breder pakket aan rechtsbagage te vormen dat dicht tegen het ondernemingsleven aanleunde.

Gedurende een 15-tal jaren combineer ik praktijkervaring binnen het (bredere) ondernemingsrecht met het juridisch-technische. Ik beoefen dit als ondernemingsadvocaat. Na jaren verbonden te zijn aan een kleiner kantoor in ondernemingsrecht ben ik sinds 2012 verbonden aan het advocatenkantoor Storme Leroy Van Parys te Gent, waar ik in 2015 vennoot werd. Anderzijds ben ik sinds 2012 ook praktijkassistent aan de Universiteit Gent aan de vakgroep economisch recht.

Mijn bredere specialisatie beslaat contractenrecht en ondernemingsrecht. Mijn speerpuntexpertises zijn vennootschapsrecht, handelsdistributierecht en het recht van (handels)tussenpersonen (agentuur, concessie, makelaardij, distributie, …). In mijn vakgebied komt doorgaans een brede waaier aan vaardigheden aan bod. Naast het gerechtelijk contentieux,  beoefen ik al minstens voor een even groot deel advieswerk, stel ik contracten op, verleen ik bijstand bij onderhandelingen , poog ik schikkingen te bereiken, etc…. Zowel het preventieve luik als het “curatieve” komen aldus aan bod.

Ik ben overduidelijk praktizijn. Tegelijkertijd echter blijf ik ten zeerste geïnteresseerd in het juridisch-technische van mijn vakgebied. Regelmatig geef ik ook vonnissen en arresten door welke in aanmerking komen om te publiceren, en soms vind ik de tijd om deze te becommentariëren in noten of artikelen. Aan de universiteit geef ik gastcolleges en praktische oefeningen, maar u kan mij ook aantreffen als lesgever in seminaries.

U bespreekt op de themadag rond vennootschapsrecht de recente evoluties/knelpunten voor de rechtspraktijk. Welke punten springen daar voor u uit?

Ik maak een combinatie van onderwerpen die enerzijds stelselmatig terugkeren in de praktijk, maar waar anderzijds ook veel discussie lijkt over te bestaan tussen praktijkjuristen of die echt veel aan bod komen in de praktijk. Een ander deel van de rechtsfiguren of onderwerpen is geselecteerd omwille van oplossingen die zij kunnen bieden voor praktische problemen. Mijn uitgangspunt is dus daadwerkelijk: bespreken van veel voorkomende praktische onderwerpen. Uiteraard blijft het een selectie. Het spreekt dat er daadwerkelijk vele andere zaken evenveel recht hadden om aan bod te komen.

De praktizijnen die ondernemingsrecht beoefenen zullen meteen een en ander herkennen me dunkt:

  • Bevestiging/bekrachtiging/regularisatie van vennootschapsbesluiten (algemene vergadering.
  • Bestuursorgaan: wanneer en hoe en in hoeverre aan te wenden?
  • Belangenconflictprocedure: overzicht en evoluties.
  • Bewijskracht en bewijswaarde notulen + enkele aandachtspunten inzake notuleren
  • Actualia buitengerechtelijke en gerechtelijke actiemiddelen van aandeelhouders/bestuurders.
  • Geschillenbeslechting tussen aandeelhouders (vorderingen tot uittreding en uitsluiting): evoluties en stand van zaken.
  • En als uitsmijter: opnieuw brandend actueel: de (in)correcte vermelding van hoedanigheid om als zaakvoerder/bestuurder op te treden en haar gevolgen.

Minister Geens kondigde een grondige wijziging van het vennootschapsrecht aan: waar kijkt u in deze plannen het meest naar uit? Wat is uw algemene visie op deze geplande hervorming?

Naar meer consistentie. Ik juich een modernisering toe, mits ze ook praktisch gedragen wordt. Onze rechtstakken worden dermate complex en uitgebreid dat deze toetssteen steeds belangrijker wordt mijn inziens. Een modernisering getuigt er ook van dat een wetboek kan verbeteren en mee kan gaan met haar tijd. De commissie voor de modernisering heeft een ambitieus en gewaagd programma voor de boeg. Ze verdient alle steun voor haar werkzaamheden. Niet alleen juridisch-technisch, maar ook vanuit politieke hoek.

De updates van het wetboek kan vanuit veel criteria bekeken worden. Vooral belangrijk voor het huidige, actuele vennootschapsrecht lijken mij (i) het beschermen van de uitvoerbaarheid van nieuwe of aangepaste regelen in de praktijk, (ii) het toezicht op de correcte toepassing ervan en het verschaffen van voldoende middelen daarvoor (via arbitrage, de rechterlijke macht, alternatieve geschillenbeslechting,…), en (iii) de rechtszekerheid en decomplicatie voor de praktizijnen en schikkingsbereide partijen en raadslieden.

Daarvoor is voldoende opleiding nodig, en zijn er voldoende middelen binnen het onderwijs en een voldoende aantal magistraten nodig die deze tak diepgaand (kunnen) beoefenen (maar ook het bredere ondernemingsrecht en haar interferenties met het vennootschapsrecht). Daarnaast moet er bijstand worden voorzien door ondersteunende griffiers en referendarissen voor wat de rechterlijke macht betreft, maar er zou ook opnieuw een (praktijkgerichte) vorming aan de universiteit voor bedrijfsjuristen voorhanden moeten zijn. Dat zou de kennis, ervaring, doorlooptijd (of vermijden) van procedures, …  ten goede komen binnen het vennootschapsrecht, maar ook in nauw aansluitende takken, zoals faillissementsrecht, WCO, verenigingsrecht, boekhoudrecht, fiscaal recht, …  waarin uitermate veel kennis, ervaring en vaardigheden nodig zijn om deze te gedegen te kunnen beoefenen. Procedures zouden ook op meer rechtszekere en snellere wijze moeten kunnen verlopen.

Het vennootschapsrecht dreigt tenonder te gaan aan complexiteit en overnuancering. Dat men al hyperspecialist moet zijn om een vakgebied te beoefenen, en steeds het risico blijft lopen op vergetelheden of op risico’s tot overzien van (nog maar een) nuance, lijkt mij problematisch voor de praktijk. De praktijk heeft in haar gevallen ook dikwijls te maken met vele andere takken die naast of bovenop het vennootschapsrecht eveneens moeten toegepast worden of met interferentie van uit die andere takken (fiscaal recht, arbeidsrecht, sociale zekerheidsrecht, beslagrecht, insolventierecht, ….). Vennootschapsrecht wordt iedere dag veelvuldig en intensief en breed toegepast. Te veel nuance en te veel uitzonderingen en te grote complexiteit knagen aan de rechtszekerheid en oriëntatie voor diegenen voor wie ze uiteindelijk bedoeld zijn: de rechtsonderhorigen. Meer nuance en uitzonderingen zorgen soms voor meer billijkheid, dat wel, maar maken het moeilijker voor deelnemers van het ondernemingsleven om hun houdingen en beslissingen af te stemmen op regels die te complex of te genuanceerd worden (zaakvoerders, bestuurders, leden comités raden van bestuur, eenmanszaken, de stichter-selfmade man, volmachthouders, kaderleden, etc…). Een afweging blijft natuurlijk nodig. 

Is er nog nood aan andere hervormingen?

Ik wil verder ook een lans breken voor een aantal noden die uiteraard blijven samenhangen naast de aanpassingen en update van het wetboek van vennootschapsrecht. Zoals al eerder aangeraakt.

Zo is de nood aan specialisatie groot. Een voldoende aantal ervaren vennootschapsjuristen moet bedrijven kunnen bijstaan, in de magistratuur kunnen zetelen,… We hebben vennootschapsjuristen nodig met een brede ondernemingsrechtelijke ervaring en met een gelijkaardig inschattingsvermogen. Dat is een hoge ambitie. Vennootschapsjuristen moeten kunnen meepraten over de meeste aspecten van het ondernemingsleven alvorens te kunnen adviseren. Dat is niet vanzelfsprekend (balanslezen, waarderingen van ondernemingen kunnen begrijpen, uitbestedingscontracten kunnen opstellen, managementcontracten kunnen inschatten, procedures en contentieux kunnen afwegen versus schikkingen, etc etc ...).

Wist u dat, specifiek voor wat de rechterlijke macht betreft, er voor de aparte georganiseerde rechtbanken van koophandel, die enorm veel en (soms zeer) complexe zaken uit het ondernemingsrecht moeten verwerken, geen enkel specifieke en rechtstreeks toegangstraject bestaat waarlangs ervaren juristen kunnen benoemd worden om te zetelen als beroepsrechter in de rechtbank van koophandel ? De ‘gewone’ wegen via gerechtelijke stage of ingangsexamen voor juristen met meer dan tien jaar ervaring, laten dat niet toe. Vreemd genoeg dient men enkel een brede burgerrechtelijke basis hebben. Dat is natuurlijk aangewezen, en zelfs nodig, maar maakt niet de kern van de zaak uit. De toegangsweg voorziet dus op heden dat men eerder in de branche van bv. het personen- en familierecht gevormd moet zijn, om uiteindelijk mogelijks toch benoemd te kunnen worden als rechter in de rechtbank van koophandel. Enkel de derde weg via de advocatuur (met meer dan twintig jaar ervaring) geeft mogelijks rechtstreeks toegang, maar langs die weg worden doorgaans slechts een klein aantal rechters benoemd. Dit alles is des te vreemder, omdat daarentegen wel rechtstreekse mogelijkheden bestaan voor de pijler arbeidsrecht (arbeidsrechtbanken) en de pijler burgerrechtelijk recht (zeer breed) of correctioneel recht. Er zou aldus naast het arbeidsrechtelijke-, burgerrechtelijke, en correctionele toegangsluik, minstens ook een ondernemingsrechtelijk toegangsluik moeten bestaan. Tenminste indien de wetgever en de FOD Justitie consequent zijn met de organisatie en specialisatie van haar eigen hoven en rechtbanken.

Ik pleit ook voor het (opnieuw) oprichten van een specialisatieopleiding bedrijfsrecht (business law) aan de universiteiten met een voldoende aantal (sub)keuzerichtingen. Door budgetproblemen zijn sommige van die richtingen helaas verdwenen. Dat die er nu niet meer (overal) zijn, is een enorm gemis. Het bedrijfsleven en de juristenwereld mist die brug. Nu moeten bedrijven, consultants, advocatenkantoren, en meer in het algemeen elke onderneming of entiteit die vennootschapsjursiten nodig heeft veel te veel interne opleiding en rijpingstraject worden doorlopen. De kloof tussen praktijk en de universiteit lijkt mijn inziens groter te worden, daardoor, en al zeker omdat het vakgebied complexer wordt, terwijl die kloof integendeel kleiner zou moeten worden. Bij mijn weten is er enkel nog de Manama vennootschapsrecht te Brussel en Master in Ondernemingsrecht te Antwerpen. Binnen de rechtenopleiding proberen we wel vaardigheden aan bod te laten komen, maar daarin komt het inhoudelijke vennootschapsrecht en de actieve kennis en ervaring en “awareness” minder aan bod. Er zijn wel een aantal interessante keuzerichtingen en standaardvakken die als springplank kunnen dienen (economisch en financieel recht, initiatie balanslezen, grondige studie vennootschapsrecht, grondige studie handelsrecht of arbeidsrecht, initiatie opstellen contracten,…).

Al het voorgaande is eerder een zaak van politieke wil en het stellen van prioriteiten om middelen aan te wenden, dan van ‘het vennootschapsrecht’. Maar het vennootschapsrecht ondervindt er wel de gevolgen van (rechtszekerheid en oriëntatie binnen juridische discussies en strekkingen voor wat betreft adviezen, snelheid en efficiëntie van procedures onder allerhande vormen zoals het kort geding, procedures zoals in kort geding, procedures ten gronde, …).

Welke aanpassing/wijziging uit deze geplande wijziging van het vennootschapsrecht wil u het liefst toch nog wat bijgestuurd zien?

Ik wil vooreerst aanbevelen om de regelen rond bestuurdersaansprakelijkheidsprocedures sneller en eenvoudiger te maken qua grondslagen, waarbij ernstig wordt nagedacht over het bestaande arsenaal dat aan sommige bevoorrechte schuldeisers wordt gegeven en sommige wettelijke vermoedens; soms zijn ze terecht aanwendbaar, soms is er helemaal geen kwaad opzet mee gemoeid, doch kunnen de gevolgen onbillijk drastisch zijn (qua duurtijd, qua gevolgen, …). In sommige situaties beschikken schuldeisers over onevenredig grote middelen mijn inziens, vooral door wettelijke vermoedens die moeilijk weerlegbaar zijn, terwijl anderzijds in andere situaties malafide ondernemers slechts na bijzonder lange en moeilijke procedures te “grijpen” zijn door stakeholders.

In tweede orde zou de geschillenbeslechtingsprocedure best op beperkte en limitatieve wijze worden uitgebreid voor wat de bevoegdheid van de voorzitter betreft. Hier is het wel zaak om deze succesvolle procedure te kunnen bewaren qua doelmatigheid en snelheid. Terwijl anderzijds ook qua billijkheid twee of drie van de meest voorkomende randproblemen (bvb rekeningen-courant, intellectuele eigendomsrechten,…) niet kunnen behandeld worden op heden in zulke procedures en waarbij het zinvol zou kunnen zijn deze mee te betrekken.

Brecht Lambrecht spreekt op de ‘Themadag Vennootschapsrecht: recente ontwikkelingen’ van M&D Seminars (3 februari 2017) over de recente tendenzen in het vennootschapsrecht  (Sessie 6. Overzicht van recente evoluties/knelpunten voor de rechtspraktijk: selectie uit (on)gepubliceerde rechtspraak).

Hij spreekt eveneens op de opleiding: ‘Vennootschapsgeschillen met focus op de buitengerechtelijke en gerechtelijke actiemiddelen van aandeelhouders. Seminarie dat zal doorgaan op donderdagnamiddag 16 maart 2017 van 13.30 u. tot 17.00 u. in de Faculty Club in Leuven.

Gepubliceerd op 01-02-2017

  555