Fiscale bug in de staatshervorming

Gepubliceerd op 12-03-2018

Bij de berekening van belastingen moet de fiscus vaak zelf bepalen welke berekening de belastingbetaler het beste uitkomt. Neem de toepassing van het huwelijksquotiënt. De fiscus maakt voor ieder koppel twee berekeningen: een met en een zonder het huwelijksquotiënt. De aanslag die de echtgenoten het minst kost of het meest opbrengt, wordt gevestigd. Hetzelfde gebeurt bij de vraag of een inkomen dat in principe belastbaar is tegen een afzonderlijk belastingtarief – denk aan een opzeggingsvergoeding – niet beter wordt belast tegen het gewone tarief, als dat voordeliger is voor de burger. En zo bepaalt de fiscus ook aan wie de belastingvermindering voor kinderen wordt toegekend: aan de echtgenoot met het hoogste of aan die met het laagste inkomen.

Zegt de ene berekening dat je 500 euro terugkrijgt en de andere dat je 500 euro moet bijbetalen, dan pikt het kleinste kind er de eerste als de meest voordelige uit. Maar niet de fiscus. Want het is goed mogelijk dat die je uiteindelijk toch een aanslagbiljet toestuurt waarin je 500 euro bijbetaalt. En je kunt het de fiscus niet eens kwalijk nemen, want de dienst voert gewoon uit wat de wetgever in 2014 heeft beslist als onderdeel van de zesde staatshervorming.

Vóór die staatshervorming kreeg een belastingplichtige gegarandeerd de 500 euro belasting terug, maar sindsdien is dat niet zeker meer.

De jongste staatshervorming heeft de personenbelasting deels geregionaliseerd. Als inwoner van het Vlaamse Gewest betaal ik nu belasting aan dat gewest én – net zoals vroeger – aan de federale staat België. Die dualiteit vertaalt zich ook in de belastingberekening. De eerste helft ervan is zuiver federaal. De gewestbelasting komt pas aan bod in de tweede helft, na de bepaling van de ‘belasting Staat’. Die term vindt iedereen op zijn aanslagbiljet, ongeveer in het midden van de berekening.

“Gewestelijke belastingregels mogen geen impact hebben op de federale belastingberekening”, en bij uitbreiding op federale keuzes in die berekening, is een van de axioma’s waarop de fiscale staatshervorming steunt. Niet dat dat principe bij wet is vastgelegd, maar het is wel een soort dogma dat de federale wetgever heeft omarmd. Daarom wordt de ‘belasting Staat’ nu gebruikt als wettelijk vergelijkingspunt om te bepalen welke belastingberekening het voordeligst is, tegen elk gezond verstand in. Niet het eindsaldo – 500 euro bij te betalen of 500 euro terug te krijgen – maar wel een saldo ergens halfweg de berekening bepaalt het voordeligste aanslagbiljet. Dat is absurd. Bij de beoordeling van de goedkoopste offerte laat u zich toch ook niet leiden door een tussensaldo ergens in het midden, vóór alle kortingen? Dat is precies wat de fiscus doet, of liever: moet doen.

Dat legt de contradictie in de fiscale staatshervorming bloot. De realiteit is dat onze personenbelasting federaal én gewestelijk is. Beide niveaus maken uw rekening. Maar omdat de belastingberekening volledig in federale handen blijft, handelt de federale wetgever alsof er geen gewestbelasting bestaat. De politieke keuze voor een volledig federale of een volledig gewestelijke personenbelasting had ons nooit met zo’n bug opgezadeld.

Maar die bug is er nu. “Het is wat is het is”, is samengevat het antwoord van minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA). “Ik ben me ervan bewust dat die logica niet het verhoopte resultaat geeft, maar de staatshervorming legt ons een aantal regels op die niet toelaten de zaken op een andere manier te berekenen.” Maar is dat wel zo? Diezelfde logica wordt met veel gemak aan de kant geschoven voor de beperking van de federale woonbonus en andere federale voordelen voor woonleningen, omdat de gewesten al soortgelijke voordelen toekennen. Daar wordt de federale belasting wel degelijk beïnvloed door gewestelijke regels. De minister hoeft dus niet zo fatalistisch te zijn.

 

Jef Wellens, Trends

  1550