Europees recht staat de verplichte toepassing van een nationale administratieve procedure niet in de weg in geval van misbruik

Een Portugese vennootschap Surgicare had op één van zijn terreinen, waarvan zij eigenaar was, een ziekenhuis laten oprichten, dat met medische apparatuur werd uitgerust. Na de bouw van dit ziekenhuis werd de exploitatie overgedragen aan Clinica Parque dos Poetas SA. De btw op de aankoop van de goederen en diensten voor de bouw en de inrichting van het ziekenhuis werd door Surgicare afgetrokken.

De Portugese administratie concludeerde dat er sprake was van misbruik van het recht op btw-aftrek, gezien beide vennootschappen tot dezelfde vennootschapsgroep behoorden en de overdracht volgens haar dus enkel geschiedde om btw-aftrek te kunnen genieten. De administratie vestigde dan ook een naheffingsaanslag.

Surgicare ging hiertegen in beroep, omdat de administratie de verplichte procedure van artikel 63 van de Código de Procedimento e de Processo Tributário (CPPT) niet had toegepast. Dit artikel bepaalt dat belastingen op grond van de antimisbruikbepaling, slechts kunnen geheven worden mits naleving van een specifieke procedure. Voor deze procedure geldt een verjaringstermijn van drie jaar en ze voorziet verscheidene beschermingswaarborgen voor de belastingplichtige. De belastingplichtige heeft het recht om gehoord te worden en de mogelijkheid om bewijzen te overleggen. Bovendien moet het hoofd van de dienst of een gedelegeerde ambtenaar toestemming geven om toepassing te maken van een antimisbruikbepaling.

In hoger beroep oordeelde de rechter dat de Portugese administratie de procedure van artikel 63 CPPT moet inleiden wanneer zij misbruik vaststelt, maar ze vroeg zich af of deze procedure wel verenigbaar is met het Unierecht.

De beroepsrechter stelde hierover dan ook een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie.

Op 12 februari 2015 oordeelde het Hof van Justitie dat de Btw-richtlijn (Richtlijn 2006/112/EG) de verplichte toepassing van een nationale administratieve procedure niet in de weg staat indien er misbruik vermoed wordt.

Moet de nationale procedure worden gevolgd, gelet op de communautaire oorsprong van de btw?

Het hof stelt dat de bestrijding van fraude, belastingontwijking en eventuele misbruiken een doel is dat door de Btw-richtlijnen van de Unie is erkend en dat moet gestimuleerd worden. Indien de Btw-richtlijn niet zelf in een regeling voorziet, staat het de lidstaten vrij de maatregelen te nemen die zij nodig achten om dit doel te bereiken. Hierbij dienen zij wel het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel te respecteren.

Gelijkwaardigheidsbeginsel

De betrokken nationale bepaling moet van toepassing zijn, zonder onderscheid, zowel op vorderingen die gebaseerd zijn op EU-recht als op vorderingen gegrond op nationale wetgeving voor zover deze vorderingen eenzelfde voorwerp en oorzaak hebben (zie randnummer 30 van het arrest. Zie ook arrest Littlewoods Retail C-591/10, punt 31). Dit is in casu het geval.

Doeltreffendheidsbeginsel

Een nationale procedure mag de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de plaats van die regel in de gehele procedure voor de nationale instanties en met het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure. Het Hof oordeelt dat het doeltreffendheidsbeginsel niet geschonden is. De bijzondere procedure van artikel 63 CPPT is immers gunstig voor de persoon die van rechtsmisbruik verdacht wordt, omdat hierbij de fundamentele rechten, zoals het recht te worden gehoord, beschermd worden.

Bij het invoeren van een nationale proceduremaatregel moeten de lidstaten ook de rechten van de rechtsonderhorigen zoals gewaarborgd in artikel 47 van het EU-Handvest respecteren. Zo heeft elke persoon recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, alsook de mogelijkheid om zich te verdedigen. Het Hof is van oordeel dat de procedure van artikel 63 CPPT deze rechten respecteert. (Zie randnummers 26 en 29 van het arrest. Zie ook arresten Marks & Spencer, C62/00, EU:C:2002:435, punt 34; Fallimento Olimpiclub, C2/08, EU:C:2009:506, punt 24; Alstom Power Hydro, C472/08, EU:C:2010:32, punt 17, en ADV Allround, C218/10, EU: C:2012:35, punt 35).

De nationale procedure beantwoordt dus aan de gestelde vereisten. Het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel worden beiden gerespecteerd, waardoor de procedure op zich niet strijdig is met de Btw-richtlijn en dus mag toegepast worden. Bovendien worden de fundamentele rechten  waarover de belastingplichtige krachtens het Unierecht beschikt, beschermd, en wordt ook het doel fraude en misbruik te bestrijden niet miskend. De procedure erkent immers het recht van de belastingplichtige om zich te kunnen verdedigen.

Het hof besluit dan ook dat de Btw-richtlijn de toepassing van een nationale procedure die verplicht moet worden toegepast indien er sprake is van misbruik, niet verhindert. Indien het Unierecht niet in een bepaalde regeling voorziet, dan kan een lidstaat zelf een eigen nationale procedure instellen. De lidstaten zijn verplicht hun nationale procedure te volgen, op voorwaarde dat deze in lijn is met het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel. Zelfs het vermoeden van het bestaan van misbruik of fraude doet geen afbreuk aan deze verplichting. 

Gevolgen van dit arrest

Dit arrest brengt mogelijk interessante toepassingen met zich mee voor het Belgisch recht. Inzake directe belastingen kan als voorbeeld het visitatierecht in privélokalen aangehaald worden. De toegang tot privélokalen kan enkel worden uitgeoefend mits machtiging van de politierechter en dit enkel tussen vijf uur ’s morgens en negen uur ’s avonds (artikel 319, lid 2, WIB 1992). De administratie zou kunnen argumenteren dat zij deze procedure niet dient te respecteren indien zij misbruik of fraude vermoedt. Het arrest Surgicare biedt evenwel een oplossing. Volgens het Hof van Justitie moet de nationale procedure verplicht gevolgd worden, ook al vermoedt de administratie misbruik of fraude.

Een ander voorbeeld is de trapsgewijze procedure die de administratie moet volgen indien zij bij een bank inlichtingen wenst op te vragen over het cliënteel. De administratie dient eerst zelf de belastingplichtige(-cliënt) te contacteren. Enkel indien de belastingplichtige weigert de nodige inlichtingen te verstrekken, kan een ambtenaar, welke minstens de graad van inspecteur heeft, zich tot de bankinstelling wenden. Bovendien is een voorafgaandelijke machtiging vereist van een ambtenaar met minstens de graad van inspecteur (artikel 322, §2 WIB 1992). In navolging van het arrest Surgicare kan de administratie ook niet van deze procedure afwijken, zelfs indien er een vermoeden is van misbruik of fraude.

In tegenstelling tot de directe belastingen, zijn douane en btw materies die sterk Europeesrechtelijk worden geregeld. Dit neemt niet weg dat ook hier nationale procedures, waarover het Unierecht niets bepaald heeft, verplicht moeten gevolgd worden en dit ter bescherming van de rechtsonderhorigen tegen willekeurig overheidsoptreden.

Een voorbeeld inzake btw: ambtenaren van de administratie mogen de voorlegging ter inzage van andere dan in artikel 60, §4, eerste lid bedoelde boeken en stukken alsmede het verstrekken van inlichtingen door de Bank van de Post, de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen slechts vorderen, indien zij beschikken over een machtiging verleend door de door de minister van Financiën daartoe aangewezen ambtenaar (artikel 62bis WBTW).

Ook artikel 203, §1 van de Algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen vereist een dergelijke machtiging: wat betreft de kredietinstellingen, de bankier en de wisselagenten, kan de mededeling van vorenbedoelde stukken slechts worden gevorderd mits een bijzondere machtiging van de directeur-generaal der douane en accijnzen. Deze procedures moeten ook gevolgd worden zelfs in geval van een vermoeden van misbruik, ook al is de nationale wetgeving gestoeld op een Europese Richtlijn of Verordening.

Het Surgicare arrest is dus van belang op nationaal fiscaal niveau. Fiscale procedureregelingen voorzien door de Belgische wetgever moeten door de administratie gerespecteerd worden, ook bij een vermoeden van misbruik of fraude. Dat de bestrijding van misbruik of fraude Europeesrechtelijk aangemoedigd wordt, doet hieraan geen afbreuk.

Ine Lejeune, Partner, Advocaat Law Square, Tax Policy, Dispute Resolution and Litigation.
Evy Peters, Senior Associate, Advocaat Law Square, Tax Dispute Resolution and Litigation.

Dag van de Fiscaliteit Tijdens het congres “Dag van de Fiscaliteit” van Kluwer Opleidingen licht Ine Lejeune (samen met haar collega’s Liesbeth Vermeire en Véronique De Brabanter) dit en andere arresten verder toe. Dit congres vindt plaats op 21 april 2015 in Affligem. Ontdek het volledig congresprogramma op www.taxcongres.be en stel zelf uw congresprogramma samen.

Gepubliceerd op 01-04-2015

  644