Enkele vragen met betrekking tot de toekenning aan de wettelijke reserve

De artikelen 319 (BVBA), 428 (CVBA) en 616 (NV en Comm. VA) van het Wetboek van vennootschappen (W. Venn.) leggen de verplichting op om een reservefonds aan te leggen. Deze reserve wordt ‘wettelijke reserve’ genoemd omdat de vorming ervan door de wet wordt opgelegd.

 

De artikelen 319 en 616 W.Venn. leggen de verplichting op om jaarlijks ten minste één twintigste van de nettowinst in te houden voor de vorming van een reservefonds. Deze verplichting houdt op wanneer het reservefonds 10 % van het maatschappelijk kapitaal heeft bereikt.

 

Artikel 428 W.Venn. beperkt de vorming tot één tiende van het vaste gedeelte van het kapitaal van de CVBA.

 

Ten slotte voorziet artikel 319bis dat in de S-BVBA de verplichting om een reservefonds te vormen geldt tot op het ogenblik dat het reservefonds het bedrag heeft bereikt gelijk aan het verschil tussen 18.550 EUR en het bedrag van het geplaatst kapitaal.

 

Hoe wordt de toekenning aan de wettelijke reserve berekend?

 

De toepassing van bovenvermelde regel stelt geen probleem wanneer het te verwerken resultaat enkel uit het resultaat van boekjaar bestaat.

 

Voorbeeld

 

 Kapitaal van de BVBA 20.000 EUR
Wettelijke reserve gevormd tijdens de vorige boekjaren  1.200 EUR
   
Winst van het boekjaar  7.800 EUR
Toekenning aan de wettelijke reserve: 5 % van 7.800  390 EUR
   
Na deze toekenning bedraagt de wettelijke reserve  1.590 EUR


De algemene vergadering is echter vrij om meer dan 5 % van de winst van het jaar aan de wettelijke reserve toe te kennen. Zo zou kunnen worden besloten om 800 EUR van de winst aan de wettelijke reserve toe te kennen. Zo bereikt de reserve 2.000 EUR of 10 % van het geplaatst kapitaal. Vanaf dat ogenblik is er geen verplichting meer om jaarlijks een deel van de winst aan de wettelijke reserve toe te kennen.

 

 

schemawettelijkereserve

 

Uit de schema's van de jaarrekening blijkt duidelijk dat de resultaatbestemming niet alleen uit het resultaat van het boekjaar bestaat, maar uit de som van dat resultaat en van het overgedragen resultaat. Hoe wordt de toevoeging aan de wettelijke reserve dan berekend?

 

In het voorbeeld A wordt de toekenning van 5 % berekend op de winst van het boekjaar. Er wordt geen rekening gehouden met het overgedragen positief resultaat. Dit is immers een bedrag dat reeds in het verleden in aanmerking werd genomen voor een toekenning aan de wettelijke reserve. Er wordt geen tweede afname gedaan op dezelfde winst.

 

In de voorbeelden B en D is er geen te verwerken winst, maar een te verwerken verlies. Men neemt geen bedrag af van een verlies voor een toekenning aan de wettelijke reserve.

 

In het voorbeeld C bedraagt de te verwerken winst 200 EUR. De berekening gebeurt op dat bedrag en niet op de winst van het boekjaar. Er zou trouwens onvoldoende te verwerken resultaat zijn om 5 % van 5.000 EUR (de winst van het boekjaar) toe te kennen aan de wettelijke reserve.

 

Als besluit kan men stellen dat de afname van 5 % wordt berekend op het laagste bedrag van enerzijds de winst van het boekjaar en anderzijds het te verwerken resultaat, of in andere woorden, het kleinste bedrag van de codes 9905 en 9906, voor zover uiteraard dat het kleinste bedrag positief is.

 

Eens de wettelijke reserve gevormd is, is ze dan onaantastbaar?

 

De wettelijke reserve mag worden aangewend om geleden verliezen aan te zuiveren of te worden omgezet in het kapitaal van de vennootschap.

 

Wanneer de wettelijke reserve wordt aangetast, moet ze opnieuw worden aangevuld volgens de regeling van de bovenvermelde artikelen van het Wetboek van vennootschappen.

 

Het enige geval waar ze aan de aandeelhouders mag worden uitgekeerd doet zich voor wanneer, ten gevolge van een kapitaalvermindering, de wettelijke reserve meer bedraagt dan de limieten opgenomen in de hierboven vermelde artikelen van het Wetboek van Vennootschappen.

 

auteur: J.P. Vincke

 

Zie ook monKEY.be

Gepubliceerd op 06-06-2017

  4588