De Vlaamse formatienota gewikt en gewogen

Gepubliceerd op 13-08-2019

Op fiscaal vlak belooft de Vlaamse formatienota grotendeels een voortzetting van het beleid dat de laatste jaren al gevoerd is op Vlaams niveau. Voor echte belastingverlagingen is er geen geld, maar enkele maatregelen zijn vrij spectaculair. Opvallend is natuurlijk de afschaffing en vervanging van de woonbonus. Ook in de erfbelasting staat er het een en ander te gebeuren. De totale belastingdruk zal niet stijgen, zo wordt beloofd, en waar naar extra geld gezocht is, is gekozen voor maatregelen die relatief gemakkelijk verteerbaar zijn of zelfs positieve kanten hebben. Voor een kilometerheffing was er in dat perspectief blijkbaar geen plaats.

vlaams_parlement

Speerpunt in het fiscale deel van de nota is de vervanging van de woonbonus door een korting op de registratiebelasting bij de aankoop van een woning. Dat laatste wordt al lang gezien als een veel ‘nuttigere’ fiscale stimulans dan de woonbonus. Want de kopers krijgen het volledige belastingvoordeel dan in één keer aan het begin, op het moment dat ze het geld het meeste nodig hebben, in plaats van gespreid over misschien 20 jaar of meer.

Het opvallendste gevolg van de maatregel is echter dat nieuwbouw uit de boot valt. Want daarop wordt btw betaald in plaats van registratiebelasting. Alleen wie een bestaand huis overkoopt, zou nog een fiscaal voordeel krijgen. Dat zal hard aankomen bij sommigen, maar past natuurlijk in een groen beleid. Elders in de formatienota wordt dat “kernversterking” genoemd, en “verdichting”. Schaarse open ruimte wordt best niet meer ingepalmd door nieuwbouw en dus wordt het vermoedelijk niet meer opportuun geacht om dat laatste fiscaal te ondersteunen.

Een ander opvallend gevolg is dat koppels een kleiner belastingvoordeel zullen krijgen. Want de huidige woonbonus kan door elk van de partners geclaimd worden, terwijl een korting op de registratiebelasting maar één keer per woning geldt. Toen Brussel in 2017 een gelijkaardige operatie doorvoerde, bleek dat een alleenstaande in totaal min of meer hetzelfde fiscale voordeel zou behouden (max. €21.800), maar dat het voordeel omzeggens gehalveerd zou worden voor een koppel.

Brussel gidsgewest?

Het is overigens een beetje een primeur dat Vlaanderen op fiscaal gebied het voorbeeld volgt van een ander gewest. Meestal is het andersom: de andere gewesten nemen na verloop van tijd maatregelen over die eerst in Vlaanderen doorgevoerd zijn. Het is echter weinig waarschijnlijk dat de Brusselse maatregel zomaar gekopieerd wordt. In Brussel is de eerste schijf van €175.000 van de aankoopprijs vrijgesteld van registratierechten. Maar Vlaanderen zal wel eigen parameters hanteren, in functie van de budgettaire noden maar ook van de verschillen op de woonmarkt en in de bestaande fiscaliteit. Zo is het kooprecht in Vlaanderen onlangs verlaagd van 10% tot 7% (zie Fisc. Act. 2018, 22/1), terwijl de woonbonus al ingeperkt is sinds 2016. In een typisch geval (koppel, kinderen, lening van 20 jaar, enige woning) bedraagt het totale fiscale voordeel daardoor ‘nog maar’ €32.528 per gezin. Dat geeft dus enige speelruimte om de compenserende korting op de registratiebelasting zo ruim mogelijk te bemeten. Het speelt ook mee dat huizen in Vlaanderen goedkoper zijn dan in Brussel. De mediaanprijs (d.w.z. 50% is duurder, 50% is goedkoper) voor een twee- of driegevelwoning in Vlaanderen is €230.000, in Brussel €400.000. Voor een appartement zijn de cijfers €190.000 in Vlaanderen en €200.000 in Brussel.

Een anomalie in de Brusselse regeling zal ook wel niet gekopieerd worden. In Brussel komen alleen huizen tot €500.000 in aanmerking. Dat lijkt bizar niet alleen omdat de maatregel daardoor uitdraait op een ‘alles of niets’-spelletje maar ook omdat de koper in onzekerheid gestort wordt. Als de fiscus achteraf vindt dat een huis van pakweg €480.000 eigenlijk €501.000 waard is, verliest de koper het volledige voordeel en moet hij onverwacht een smak geld bijbetalen.

Kroniek van een aangekondigde dood

Zoals bekend ligt de woonbonus al langer onder vuur bij economen omdat hij de prijs van woningen zou opdrijven en dus per saldo niets zou opleveren aan de belastingplichtige. Dat is nu eenmaal een probleem met belastingvoordelen in het algemeen, zoals de recente discussie over de nieuwe (federale) belastingvermindering voor premies van een rechtsbijstandsverzekering illustreert. Zal een vervangend belastingvoordeel dan niet eenzelfde negatief effect hebben als de woonbonus? Wellicht niet. De redenering is dat de verkoper dezelfde prijs afficheert voor iedereen. Hij weet op voorhand niet of de kandidaat-koper voldoet aan de voorwaarden voor de gunstmaatregel en kan dus het belastingvoordeel niet verrekenen in zijn vraagprijs.

Maar de belangrijkste reden voor het verdwijnen van de woonbonus zal wel budgettair zijn. Toen de woonbonus een gewestelijke bevoegdheid werd, bij de zesde staatshervorming in 2014, kregen de gewesten daarmee een pad in de korf gezet. Op federaal niveau was de maatregel al onbetaalbaar gebleken, zodat sommigen op dat niveau maar al te blij waren om die hete aardappel door te schuiven naar de gewesten. Maar tot overmaat van ramp werd slechts een klein deel van de opbrengst van die operatie toegewezen aan de gewesten. Dat de maatregel afgebouwd zou worden, was dus onontkoombaar.

Geen erfbelasting voor langstlevende echtgenoot

Maar de nota bevat niet alleen budgettair geïnspireerde maatregelen. Het wordt al langer als onbillijk gezien dat de langstlevende echtgenoot na het overlijden van de partner erfbelasting moet betalen op (een deel van) het bezit dat ze samen opgebouwd hebben. In Vlaanderen is men al jaren bezig om ook de fiscale pijn van de overlevende echtgenoot te verzachten. Zo betaalt die al sinds 2007 geen erfbelasting meer op (zijn aandeel in) de gezinswoning. Daarmee was Vlaanderen zijn tijd vooruit, want in Wallonië heeft men tot vorig jaar moeten wachten op een vergelijkbare gunstmaatregel. Nog maar een jaar geleden is daar in Vlaanderen een bijkomende vrijstelling aan toegevoegd: voor €50.000 aan roerende goederen (geld, effecten…). Niet iedereen erft immers een gezinswoning.

Nu wordt een logische en heel consequente volgende stap aangekondigd: de langstlevende echtgenoot betaalt binnenkort helemaal niets meer op zijn/haar deel.

De maatregel komt niet alleen ten goede aan gehuwden maar ook aan wettelijk samenwonenden en zelfs aan inwonende kinderen tot 18 jaar. In Vlaanderen is het overigens al jaren een goed gebruik om ook feitelijk samenwonenden gelijk te stellen met gehuwden (op voorwaarde dat ze één of drie jaar samen wonen). En hoewel de nota er niets over zegt, is het wellicht niet de bedoeling om te breken met die traditie.

Merk wel op dat de langstlevende partner sowieso geen erfbelasting verschuldigd is op zijn/haar aandeel in het gemeenschappelijk vermogen (en op het eigen vermogen), en voor de rest veelal alleen het vruchtgebruik erft. En daarvan blijft de waarde beperkt als de betrokkene al een hoge leeftijd heeft. Een gapend gat in de begroting zal de maatregel dus niet slaan. Wat natuurlijk niet wegneemt dat het voorstel fel toegejuicht zal worden.

Strijd tegen ontwijking

Maar hoe dan ook zal die maatregel de schatkist geld kosten. En daarvoor wordt blijkbaar elders compensatie gezocht. Zo is er in de nota sprake van het afsluiten van enkele mechanismen van belastingontwijking.  

Lang zal men daarvoor niet hoeven te zoeken, want gelegenheid om ontwijking te bestrijden, is er in de erfbelasting genoeg. Dat België internationaal nog altijd als een belastingparadijs geldt, heeft mede te maken met het gemak waarmee hier grote fortuinen zonder één cent erfbelasting doorgegeven kunnen worden. De Vlaamse belastingdienst is de laatste jaren actief op zoek gegaan naar allerlei vormen van vermeend misbruik op het gebied van de erfbelasting, vaak tot grote consternatie van vermogensplanners. Die vrezen al langer dat de gecontesteerde standpunten van Vlabel (bv. over gesplitste aankopen – Fisc. Act. 2018, 23/1) vroeg of laat in de wet ingeschreven zullen worden.

De decreetgever heeft trouwens al enkele voorzichtige stapjes in die richting gezet, zoals met de verzekeringsgift (zie Fisc. Act. 2017, 1/12). Wellicht zal een regering van rechtse signatuur ook in de toekomst de nodige behoedzaamheid aan de dag blijven leggen, maar zal ze anderzijds ook niet doof blijven voor het argument van Vlabel dat bepaalde opvattingen in de sector niet meer aangepast zijn aan de huidige tijd, zeker omdat de regering hoe dan ook op zoek moet naar nieuwe inkomsten.

Progressievoorbehoud

In die laatste doelstelling past ook “het optrekken van de termijn voor het progressievoorbehoud in de erfbelasting”. Het is niet duidelijk wat daarmee bedoeld wordt. Wellicht verwijst men naar de regel over zogenaamde fictieve legaten. Momenteel geldt de regel dat schenkingen die de overledene gedaan heeft in de laatste drie jaar vóór zijn/haar overlijden, bij de nalatenschap geteld worden. Er is dus erfbelasting op verschuldigd, tenminste als er indertijd geen schenkbelasting op betaald is (wat bv. het geval is bij een handgift of een schenking voor Nederlandse notaris). Door die termijn van drie jaar op te trekken, stijgt natuurlijk de kans dat er door een voortijdig overlijden van de schenker alsnog belasting betaald moet worden op iets waarvan de begunstigden dachten dat ze het belastingvrij gekregen hadden. De redenering is vermoedelijk dat dat hogere risico de betrokkenen ertoe zal aanzetten om het zekere voor het onzekere te nemen en toch de schenking te registreren en schenkbelasting te betalen, gewoon om het risico op latere erfbelasting te vermijden. Gevolg: meer inkomsten voor de schatkist. En de betrokkenen krijgen in elk geval meer zekerheid.

WLTP: in dank aanvaarde belastingverhoging

Toepassing van de WLTP-uitstootnormen in de autofiscaliteit past ook in het rijtje van maatregelen die extra geld in het laatje moeten brengen. De WLTP-norm is strenger en laat minder manipulatie toe dan de oude NEDC-norm. Daardoor blijkt eenzelfde auto volgens de nieuwe testprocedure plotsklaps een hogere officiële uitstoot te hebben dan voorheen, vaak 20% of meer. Omdat de autofiscaliteit grotendeels gebaseerd is op de officiële CO2-uitstoot, zou dat een aanzienlijke belastingverhoging met zich meebrengen, puur door een andere meetmethode dus. Maar de bevoegde ministers, zowel op federaal als Vlaams niveau, lieten zich van hun soepelste kant zien en kondigden aan dat voorlopig nog de oude NEDC-norm gebruikt zou mogen worden (eventueel na omrekening) om de diverse belastingen op autogebruik en -bezit te berekenen (zie Fisc. Act. 2019, 11/9 en 2018, 23/9).

Maar het was van in het begin vrij duidelijk dat die tolerantie slechts tijdelijk zou zijn, en dus wekt het weinig verbazing dat nu ook fiscaal de overstap naar WLTP aangekondigd wordt. In Duitsland bijvoorbeeld is er trouwens nooit een overgangsfase geweest. Merk wel op dat de commentaar in de formatienota dus eigenlijk niet klopt. Het gaat er niet om dat sterker vervuilende auto’s zwaarder belast worden: het komt erop neer dat auto’s die even veel (of even weinig) vervuilen als voorheen, zwaarder belast worden. Voor alle duidelijkheid: we spreken hier alleen over Vlaamse fiscaliteit, dus over verkeersbelasting en inschrijvingstaks (BIV).

Auteur: Koen Janssens

 

 

  489