De meest gestelde praktijkvragen btw: wat wordt bedoeld met een onttrekking van een goed voor verstrekking om niet?

Wat wordt bedoeld met een onttrekking van een goed voor verstrekking om niet? En wat met gratis handelsmonsters? En geschenken van geringe waarde?

Antwoord

Sommige materiële feiten worden gelijkgesteld met leveringen onder bezwarende titel zodat, wanneer deze feiten zich voordoen, de btw opeisbaar wordt. De goederen die in het bedrijf van de btw-plichtige aanwezig zijn, zijn in de regel volledig of gedeeltelijk ‘btw-schoon’ ingevolge de uitoefening van het recht op aftrek. Om te voorkomen dat deze goederen het eindverbruik zouden bereiken zonder btw-heffing, moeten deze goederen bij wijze van rechtzetting aan de btw worden onderworpen. Dit gebeurt dan via de zogenaamde onttrekking. De onttrekking wordt gelijkgesteld met een belastbare levering waarover aldus btw wordt gerekend.

Toelichting

Het door een btw-plichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed om het om niet te verstrekken, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de btw is ontstaan, is onderworpen aan de btw. De onttrekkingen verricht voor het verstrekken van handelsmonsters of handelsgeschenken van geringe waarde worden evenwel niet bedoeld.

Het betreft het materiële feit dat bestaat in het onttrekken van een goed – roerend of onroerend – om het om niet (gratis) te geven (bv. schenking). Deze overdracht is slechts belastbaar indien verricht door een btw-plichtige in wiens hoofde een volledig of gedeeltelijk recht op aftrek is ontstaan voor dit goed.

De btw-heffing moet uiteraard niet gebeuren voor de onttrekking van een goed dat zonder toepassing van de btw werd verkregen omdat het werd gekocht bij een particulier of bij een btw-plichtige die uitsluitend handelingen verricht waarvoor geen recht op aftrek bestaat (bv. een ziekenhuis).
De onttrekking kan slaan op roerende goederen (handelsgoederen, rollend materieel, meubilair,...), alsook op onroerende goederen (‘nieuwe’ gebouwen of gedeelten van ‘nieuwe’ gebouwen, daaronder begrepen het bijhorend terrein,...).

Voorbeeld

Een staalbedrijf onttrekt een personenauto, die op haar naam is ingeschreven en die ze als bedrijfsmiddel gebruikt, om hem weg te schenken aan de voorzitter van de raad van bestuur van wie het mandaat verstrijkt.

Voorbeeld

Een winkelier onttrekt aan zijn voorraad goederen kledingstukken die gedemodeerd zijn om ze in het kader van een hulpactie om niet te verstrekken aan een caritatieve instelling.

Hierna volgen enkele bijzondere gevallen.

– Onttrekking van goederen gebruikt bij een werk in onroerende staat

Het komt voor dat een btw-plichtige zelf vervaardigde of ingekochte materialen, die ingevolge de uitgeoefende btw-aftrek ‘btw-schoon’ zijn, gebruikt om voor zijn privédoeleinden, de privédoeleinden van zijn personeel en, meer algemeen, om niet of voor andere dan beroepsdoeleinden een werk in onroerende staat te verrichten. De uitvoering van zulk werk wordt met het verrichten van een belastbare handeling gelijkgesteld (art. 19, § 2, 2° WBTW), hetgeen de heffing van de btw m.b.t. de onttrekking van de materialen uitsluit.

De maatstaf van heffing voor deze handeling is het bedrag van gedane uitgaven (art. 33, § 1, 2° WBTW).

Voorbeeld

Een aannemer ruwbouw onttrekt uit zijn voorraad alle nodige materialen voor de oprichting van een woning met drie van zijn arbeiders voor zijn dochter. De gelijkstelling met een belastbare dienst is van toepassing op het metselwerk met uitzondering van het werk van de aannemer zelf en de btw is opeisbaar over de door de aannemer gedane uitgaven, zijnde de aankoopprijs van het materiaal en het werk van zijn arbeiders.

Wanneer een btw-plichtige een roerend goed aan zijn bedrijf onttrekt om er een werk in onroerende staat mee te verrichten waarvoor het artikel 19, § 2 van het WBTW niet van toepassing is, zal de btw-plichtige wel moeten overgaan tot de onttrekking van dit roerend goed op grond van artikel 12, § 1, 1° van het WBTW. De maatstaf van heffing voor deze handeling is de aankoopprijs van het goed of, indien er geen aankoopprijs is, de kostprijs berekend op het tijdstip van de onttrekking van het goed (art. 33, § 1, 1° WBTW).

Voorbeeld

Een groothandelaar (natuurlijk persoon) in sanitair materiaal gebruikt materiaal uit zijn voorraad voor de sanitaire installatie van zijn privéwoning die hij zelf heeft aangebracht. Het onttrokken materiaal moet met btw worden belast over de aankoopprijs op het tijdstip van de onttrekking.

– Onttrekking van personenwagens uitsluitend voor privédoeleinden

 

Hiervoor gelden bijzondere bepalingen die erop neerkomen dat over slechts 50 % van de maatstaf van heffing de btw wordt geheven. Er wordt verwezen naar de Aanschrijving nr. 3/1981.

– Onttrekking van personenwagens en wagens voor dubbel gebruik door constructeurs en handelaars in die voertuigen

Hiervoor gelden bijzondere bepalingen die erop neerkomen dat voorlopig geen onttrekking gebeurt. Er wordt verwezen naar de Aanschrijving nr. 9/1985.

– Schenking van voedseloverschotten aan de Voedselbanken

 

Gelet op het humanitair doel van de Voedselbanken en de wil van producenten en distributiebedrijven in de voedingssector om onverkoopbare voedingswaren gratis weg te schenken met het oog op de gratis verdeling ervan onder de behoeftige personen, zal de administratie de heffing van btw over de onttrekkingen die hiermee gepaard gaan niet eisen mits voldaan is aan bepaalde omstandigheden, modaliteiten en voorwaarden. Er wordt verwezen naar de Beslissing van 31 juli 2013, nr. E.T. 124.417.

– Kosteloze uitdeling van monsters

Wanneer een bedrijf kosteloos monsters uitdeelt, met een publicitair doel en om de goederen die het bedrijf fabriceert of verkoopt te leren kennen en te leren waarderen, dan is de btw die m.b.t. de fabricage of de inkoop van die monsters werd geheven aftrekbaar indien de kosten ervan als bedrijfslasten worden aanvaard voor de heffing van de inkomstenbelastingen.

Er is dan geen sprake van herziening van de aftrek, noch van onttrekking, aangezien artikel 12, § 1, eerste lid, 2° van het WBTW uitdrukkelijk de handelsmonsters van de toepassing van die bepaling uitsluit. Het monster moet van dezelfde aard zijn als de goederen die door het bedrijf worden gefabriceerd of verkocht. Het is echter niet vereist dat ze op een speciale manier werden geconditioneerd, noch dat ze de uitdrukkelijke vermelding ‘monster’ dragen. De btw-plichtige die dergelijke uitdeling doet, moet er uiteraard wel voor zorgen dat hij tegenover de administratie kan aantonen dat de uitgedeelde goederen niet geleverd werden in omstandigheden die de btw verschuldigd maken (art. 64, § 1 WBTW). Het bewijs daarvan zal, in het bijzonder voor de monsters die in dezelfde conditionering als de gewoonlijk verkochte goederen worden aangeboden, geleverd moeten worden door een ontvangstbewijs dat van de ontvangers van die monsters wordt gevraagd.

– Geschenken van geringe waarde

Het betreft de voorwerpen die in beroepsrelaties worden gegeven en waarvan de kostprijs door de bedrijven als algemene onkosten wordt geboekt (bv. eindejaarsgeschenken, giften in natura,...). Deze voorwerpen verschillen van de ‘monsters’ doordat ze niet van dezelfde aard zijn als de goederen die het bedrijf doorgaans verkoopt. Ze worden dan ook niet uitgedeeld met de bedoeling ze te leren kennen of waarderen.

Deze geschenken worden, voor de toepassing van de btw, geacht van ‘geringe waarde’ te zijn zo hun inkoopprijs, of bij gebreke daarvan, hun normale waarde, voor het gehele geschenk, lager is dan 50 EUR, exclusief btw. Is die voorwaarde vervuld, dan mag de aftrek van de btw die van die voorwerpen, of van de elementen waaruit ze zijn samengesteld, werd geheven, worden toegepast zonder dat er bij de uitdeling ervan van herziening van de aftrek of van onttrekking sprake is (art. 12, § 1, eerste lid, 2° WBTW).

 In het boek De meest gestelde praktijkvragen inzake btw – deel II vindt u het antwoord op nog veel meer praktische vragen. Marc Govers  en Patrick Wille geven u korte en duidelijke antwoorden, met toelichting.

Gepubliceerd op 07-10-2014

  1219