De “kleine” vennootschap: fiscaal en boekhoudkundig doorgelicht

De recentste fiscale en boekhoudkundige maatregelen zijn de laatste tijd vooral gericht op de “kleine” vennootschappen, een belangrijke groep binnen onze Belgische economie.

Laat ons duidelijk zijn, we hebben het hier over de vennootschappen conform art. 15 W.Venn. zijnde de vennootschappen met rechtspersoonlijkheid die voor het laatst en het voorlaatst afgesloten boekjaar, niet meer dan één der volgende criteria overschrijden:

  1. jaargemiddelde van het personeelsbestand: 50;
  2. jaaromzet, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde: 7.300.000 euro;
  3. balanstotaal: 3.650.000 euro.

Indien het gemiddeld personeelsbestand meer dan 100 bedraagt, is de onderneming groot. Deze vennootschappen genieten een aantal gunstmaatregelen (zowel boekhoudkundig als fiscaal).

Dringend tijd om alle recente fiscale en boekhoudkundige pijlers voor deze vennootschappen nog eens op een rijtje te zetten!

Boekhoudkundig

De Richtlijn 2013/34/EU, die in principe door de lidstaten tegen 20 juli 2015 dient te worden omgezet in wetgeving, heeft als één van de voornaamste doelstellingen om de administratieve druk voor kleine vennootschappen te verlichten.

Tot op vandaag zijn de criteria van art. 15 W.Venn. bepalend om na te gaan welk schema van de jaarrekening een bepaalde onderneming dient te hanteren (verkort of volledig schema). Daarnaast spelen deze criteria ook een rol bij de benoeming van de commissaris.

Nieuwe categorieën van ondernemingen (ingedeeld volgens hun grootte) zullen worden ingevoerd met als voornaamste principe: “hoe kleiner, hoe minder boekhoudkundige verplichtingen”.

Hoe zullen de criteria van de kleine vennootschappen conform art. 15 W. Venn. eventueel aangepast worden en wat zijn de boekhoudkundige implicaties ? Zie Accountancy Actualiteit nr. 2015/11 “Nieuwe Boekhoudwetgeving op komst”. 

Fiscaal

Vennootschappen die "klein" zijn in de zin van art. 15 W.Venn. genieten zestien fiscale voordelen:

  1. afschrijving naar wens van bij de aankoop horende kosten (art. 196, § 2 WIB92);
  2. géén (prorata) beperking van de eerste afschrijvingsannuïteit (art. 196, § 2 WIB92);
  3. percentage van de notionele interestaftrek verhoogd met een half procentpunt (art. 205quater, § 6 WIB92);
  4. 120% aftrek kosten van beveiliging (art. 185quater WIB92);
  5. investeringsaftrek voor beveiliging (art. 69, lid 1, 3° juncto art. 201, lid 5 WIB92);
  6. aanleg belastingvrije investeringsreserve (art. 194quater, § 1 WIB92);
  7. geen vermeerdering wegens onvoldoende voorafbetalingen gedurende de eerste drie boekjaren (art. 218, § 2 WIB92);
  8. geen «fairness tax» (art. 219ter, § 7 WIB92);
  9. kortere houdperiode kapitaal in geval van vastklikken van reserves (art. 537 WIB92);
  10. gewone investeringsaftrek van 4 % voor investeringen gedaan in 2014 en 2015 (art. 201, lid 2 WIB92);
  11. geen afzonderlijke heffing van 0,4 % op bepaalde meerwaarden op aandelen (art. 217, 3° WIB92);
  12. géén vereiste van «onderzoekscentrum» voor de toepassing van de octrooi-aftrek (art. 205 WIB92);
  13. mogelijkheid tot verlaagde roerende voorheffing in geval van inbrengen in geld gedaan na 1 juli 2013 (art. 269, § 2 WIB92);
  14. hogere vrijstelling van doorstorting bedrijfsvoorheffing (art. 275, lid 4 WIB92);
  15. statuut van «Young Innovative Companies» (doorstorting bedrijfsvoorheffing) (art. 275/3, § 1, lid 3, 2° WIB92);
  16. mogelijkheid tot aanleg van een liquidatiereserve (art. 184quater WIB92) (vanaf AJ 2015).

Voor meer info verwijzen wij naar de auteurstekst op monKEY.be van Yves Verdingh waar alle regelingen uitgebreid besproken worden.

Programmawet d.d. 1 juni 2015

De programmawet van 1 juni 2015 behandelt een aantal nieuwe maatregelen voor “kleine” vennootschappen.

  1. Zo krijgen startende ondernemingen een duwtje in de rug via de invoering van een belastingvermindering voor een kapitaalinbreng en een fiscale vrijstelling voor intresten op een lening. Voor meer info zie Fiscale Actualiteit, nr. 16.
  2. Uitbreiding van de investeringsaftrek tot investeringen die dienen voor de integratie en de exploitatie van digitale betalings- en factureringssystemen en voor systemen die informatie- en communicatietechnologie beveiligen. Alleen kleine vennootschappen (in de zin van art. 15 W. Venn.) komen in aanmerking, evenals éénmanszaken die aan dezelfde criteria voldoen. De maatregel is van toepassing vanaf AJ 2016.
  3. Overgangsregeling liquidatiereserve: kleine vennootschappen krijgen alsnog de mogelijkheid om voor de aanslagjaren 2013 en 2014 een liquidatiereserve aan te leggen. Ook die reserves zullen na betaling van een heffing van 10 %, later als liquidatiebonus uitgekeerd kunnen worden zonder liquidatieheffing. De heffing van 10 % moet betaald zijn tegen 30 november 2015 als het gaat om winst van boekjaar 2012. Meer info met betrekking tot deze regeling kan u lezen in Fiscale Actualiteit, nr. 17. 

Zoals u kan zien wordt het boekhoudkundige en fiscale landschap grondig herschikt voor de kleine vennootschap.

Gepubliceerd op 23-06-2015

  884