De deeleconomie leidt tot een hopeloos verdeelde fiscaliteit

Jef Wellens, fiscalist bij Wolters Kluwer, houdt het 'eenvoudig en transparant belastingstelsel voor inkomsten uit de deeleconomie' van minister van Digitale Agenda Alexander De Croo tegen het licht.

Het begrip 'deeleconomie' omvat de levering van diensten die particulieren buiten hun normale beroepsactiviteit leveren aan particulieren via een erkend internetplatform. Denk aan de kamer met ontbijt van Airbnb, de taxi van Uber, de afhaalmaaltijd van Flavr en de klusjes van Listminut. Vanaf dit jaar geldt een fiscaal gunstregime voor het inkomen dat men met zulke platformen bijverdient: een "eenvoudig en transparant belastingstelsel voor inkomsten uit de deeleconomie", klinkt het op de website van minister van Digitale Agenda Alexander De Croo (Open Vld).

Terwijl inkomsten uit de deeleconomie nu - als ze al worden aangegeven - een belastingdruk ondergaan van 33 procent (divers inkomen) tot 50 procent (bijberoep), worden ze in de nieuwe regeling belast tegen 20 procent. Door een royale kostenaftrek van 50 procent bedraagt het belastingtarief de facto 10 procent. De vergoeding moet worden betaald via het platform. De buurman die tegen een vergoeding bij u komt koken zonder tussenkomst van zo'n platform, valt niet onder de deeleconomie. Vindt u uw kok wel op een erkende website, dan valt de vergoeding onder de nieuwe regeling, op voorwaarde dat de kok beroepshalve geen restaurant uitbaat.

Het internetplatform houdt de belasting in en stort ze door. Inkomsten uit de deeleconomie zijn vrijgesteld van sociale bijdragen. Het voordeelregime geldt enkel als de inkomsten beperkt blijven tot bruto 5.000 euro per jaar. Voor 2016 is dat maximaal 2.500 euro, omdat de regeling pas in juli in werking is getreden. Verdient de dienstverlener meer, dan wordt alles – ook de eerste 5.000 euro – belast als een beroepsinkomen en betaalt hij wel sociale bijdragen. 1 euro te veel verdienen kost dan al gauw 1.000 euro.

De bijklusser moet dus tijdig op de rem staan. Dat verklaart ook waarom de bedrijfsvoorheffing die het internetplatform inhoudt, niet bevrijdend kan zijn, en waarom de inkomsten uit deeleconomie nog altijd moeten worden vermeld op de belastingaangifte, die met een nieuwe rubriek zal aandikken. Aan de belasting als beroepsinkomen kan de bijklusser enkel ontsnappen als hij bewijst dat zijn inkomsten geen beroepsinkomsten zijn. Niet de fiscus moet dus bewijzen dat het inkomen een beroepsinkomen is, wel moet de belastingplichtige aantonen dat het géén beroepsinkomen is. Die omkering van de bewijslast is onuitgegeven. Hoe hij dat negatieve bewijs kan leveren, is niet duidelijk en het zal leiden tot geschillen. Transparant is de nieuwe regeling dus niet.

Eenvoudig is ze evenmin. Dat wordt duidelijk als we de impact ervan nagaan op de inkomsten uit het onlineverhuurplatform Airbnb. De loutere verhuur van onroerende goederen (bijvoorbeeld een appartement) of roerende goederen (bijvoorbeeld meubilair) valt niet onder de nieuwe regeling. Levert de verhuurder geen bijkomende diensten zoals een ontbijt, dan verandert er niets. De inkomsten blijven dan belastbaar, deels als onroerend inkomen (op basis van het kadastraal inkomen) en deels als roerend inkomen (voor het meubilair). Biedt de verhuurder wel een ontbijt aan, dan zijn de inkomsten ofwel beroepsinkomsten, ofwel diverse inkomsten. Daar komt verandering in. De inkomsten uit 'Airbnb met hotelservice' ondergaan voortaan maar liefst drie belastingregimes tegelijk. De vergoeding voor de service - de koffiekoeken en de verse lakens zeg maar - valt onder het gunstregime en wordt de facto belast tegen 10 procent. De vergoeding voor de kamer blijft belast als een onroerend én roerend inkomen. De doorsnee Airbnb-verhuurder moet zijn inkomen dus verdelen over drie rubrieken op de belastingaangifte: acht codes voor één inkomen.

Als de verhuurder de vergoeding niet opsplitst in het huurcontract, gaat de fiscus ervan uit dat 80 procent van de vergoeding betrekking heeft op de kamer (60% onroerend en 40% roerend) en 20 procent op het ontbijt. Maar als die 20 procent meer bedraagt dan 5.000 euro, dan wordt de totale vergoeding, zowel voor de kamer als het ontbijt, belast als een beroepsinkomen, tenzij de verhuurder bewijst dat Airbnb voor hem geen beroepsactiviteit is. Volgt u nog?

De deeleconomie leidt tot een hopeloos verdeelde fiscaliteit. Of is het misschien de bedoeling dat voor de correcte aangifte van inkomsten uit Airbnb altijd een beroep wordt gedaan op een fiscale specialist, gevonden op Listminut of een andere klusjeswebsite?

(Jef Wellens, Trends, 15 juli 2016)

Gepubliceerd op 22-08-2016

  544