Belastingkunst of kunst en belastingen

Kunstenaars verdienen net als ieder ander een inkomen en moeten daar net als ieder ander belastingen op betalen. Toch bevinden ze zich in een bijzondere situatie: vaak worden artistiek en financieel vruchtbare periodes afgewisseld met mindere periodes. De artistieke sector heeft dan ook jarenlang gevochten voor een aangepast sociaal en fiscaal kunstenaarsstatuut. In 2003 is dat sociale statuut er eindelijk gekomen, later volgden ook enkele bijzondere fiscale maatregelen. Bij enkele van deze fiscale regels staan we kort stil.

Een kunstenaar kan zowel werknemer, ambtenaar als zelfstandige zijn en kan op verschillende manieren worden vergoed. In principe zijn al deze vergoedingen belastbaar (op één uitzondering na). Naar gelang de hoedanigheid waarin de artiest optreedt en de aard van de door hem ontvangen vergoeding, ontstaan er andere fiscale gevolgen. De kunstenaar kan zelf kiezen welke regeling het best aan zijn concrete situatie is aangepast. Het is belangrijk om dat goed geïnformeerd te doen. Daarom doen we de verschillende mogelijkheden kort uit de doeken.

De kleinevergoedingsregeling: inkomsten vrijgesteld

Kunstenaars met beperkte inkomsten, zoals amateurartiesten, kiezen best voor de kleinevergoedingsregeling. De vergoeding die de kunstenaar ontvangt, wordt dan beschouwd als een terugbetaling van zijn onkosten. De artiest maakt hierbij een forfaitaire onkostennota op. Met andere woorden: hij hoeft zijn werkelijke kosten niet te bewijzen (het is niet nodig om facturen, bonnetjes en dergelijke bij te houden). Er zijn geen sociale bijdragen of inkomstenbelastingen verschuldigd op de (onkosten)vergoeding. Het bedrag moet niet aangegeven worden.

Fiscaal gelden daar wel enkele voorwaarden voor:

  • de vergoeding mag voor inkomensjaar 2013 maximaal 2.418,07 euro bedragen;
  • de vergoeding mag per dag maximaal 120,90 euro bedragen;
  • de vergoeding mag per dag per opdrachtgever maximaal 120,90 euro bedragen: als de opdrachtgever meer betaalt, dan is de hele vergoeding van de vrijstelling uitgesloten;
  • de artiest mag niet op een andere wijze (contractueel of statutair) met dezelfde opdrachtgever verbonden zijn, tenzij de artistieke activiteiten van verschillende aard zijn;
  • de artiest moet over een kunstenaarskaart beschikken: deze kaart bestaat momenteel nog niet en wordt daarom voorlopig vervangen door een ‘verklaring op eer’;
  • de kunstenaar kan niet tegelijkertijd een echte onkostennota indienen, waarmee hij zijn werkelijke beroepskosten bewijst.

Voorbeeld

Een zanger treedt op van 23.15 u. tot 00.45 u. en ontvangt daarvoor 200 euro. Als hij een onkostennota opmaakt voor 200 euro valt die volledig buiten de vrijstelling (meer dan 120,90 euro op een dag). Hij kan wel twee onkostennota’s opmaken van ieder 100 euro: één voor de periode van 23.15 u. tot 00.00 u en één van 00.00 u. tot 00.45 u. Die periodes vallen immers op twee dagen. Beide onkostenvergoedingen zijn vrijgesteld.

De artiest als werknemer met of zonder arbeidscontract: een belastbaar loon

Een artiest kan natuurlijk ook met een werkgever een arbeidscontract afsluiten. Dan wordt hij werknemer en ontvangt een belastbaar loon. Bijzonder is dat wie artistieke prestaties levert ook zonder arbeidscontract met een opdrachtgever/werkgever verbonden kan zijn. De artiest wordt toch als werknemer behandeld en krijgt een belastbaar loon. Deze laatste situatie is het echte kunstenaarsstatuut zoals dat sinds 2003 bestaat.

De opdrachtgever houdt net zoals elke gewone werkgever bedrijfsvoorheffing in op de vergoeding (het loon) dat hij aan de artiest betaalt en stort dit door aan de schatkist.

Er bestaat geen specifieke fiscale regeling voor de bezoldiging van artiesten/werknemers. Hoeveel bedrijfsvoorheffing er wordt ingehouden, wordt dus berekend volgens de gewone regels. De berekening gaat uit van één van drie schalen: (1) alleenstaande of belastingplichtige die een partner heeft met een eigen beroepsinkomen (2) de belastingplichtige heeft een partner zonder eigen beroepsinkomen of (3) niet-rijksinwoners.

Er bestaan geen bijzondere verminderingen voor kunstenaars, maar de gewone verminderingen zijn wel van toepassing, bv. voor kinderen ten laste, voor mindervaliden, …

Toch komen kunstenaars hier soms wel in een aparte situatie terecht.

Voorbeeld

Een acteur werkt tijdens een jaar voor drie verschillende werkgevers en heeft daarbij 8.300 euro, 12.200 euro en 9.500 euro verdiend (in totaal 30.000 euro). Iedere werkgever houdt echter bedrijfsvoorheffing in op een relatief klein bedrag. De totale door de drie werkgevers ingehouden bedrijfsvoorheffing zal daardoor lager zijn, dan wat één werkgever op een loon van 30.000 euro zou inhouden. De artiest loopt dus het risico dat er nog niet voldoende bedrijfsvoorheffing werd ingehouden, zodat hij bij zijn belastingaanslag zal moeten bijbetalen.

De opdrachtgever bezorgt de artiest een fiscale fiche 281.10, waarop een overzicht staat van de loongegevens, zodat hij zijn belastingaangifte kan invullen.

De zelfstandige artiest: zelf verantwoordelijk voor naleven van fiscale en administratieve verplichtingen

Een artiest kan zich daarnaast ook als zelfstandige (in hoofd- of bijberoep) vestigen. Hij is zelf verantwoordelijk voor zijn administratieve verplichtingen. De kunstenaar ontvangt een brutovergoeding (winsten of baten) van de opdrachtgever/organisator van de activiteit, maar zal zelf zijn sociale lasten en bedrijfsvoorheffing moeten regelen.

Van deze inkomsten kunnen dan natuurlijk wel de beroepskosten (werkelijke of forfaitaire) afgetrokken worden.

Bovendien zal hij btw op zijn artistieke prestatie moeten aanrekenen: hiervoor geldt een verlaagd tarief (6 %).  

Werken via een vennootschap

Een andere klassieke mogelijkheid is de oprichting van een vennootschap (in de regel een BVBA), waarvan de kunstenaar zaakvoeder is. In dat geval is het de vennootschap die de artistieke prestatie levert, zij het via haar mandataris.

De vennootschap betaalt aan de zaakvoerder een bedrijfsleidersbezoldiging, waarop uiteraard inkomstenbelastingen verschuldigd zijn. Ook hier moet er bedrijfsvoorheffing ingehouden worden.

Of het zin heeft een vennootschap op te richten dan wel als natuurlijk persoon te werken, hangt van een heleboel factoren af. Kortweg kan wel gezegd worden dat het voor de artiest interessant kan worden met een vennootschap te werken vanaf hij ca. 23.000 euro belastbaar inkomen verdient.


Artiest en fiscus  

Meer weten ? In het praktische dossier Artiest en fiscus vertelt Robin Van De Velde nog veel meer over de fiscale aspecten van het kunstenaarschap. De verschillende statuten worden uitgelegd, met voorbeelden. Naast inkomstenbelastingen, komt ook de btw aan bod. Ten slotte wordt ook het sociaalrechtelijke luik belicht. Dit boekje is dan ook bruikbaar voor zowel de artiest zelf als zijn raadgever.

Gepubliceerd op 19-08-2013

  390