Belastingaangifte 2019

Gepubliceerd op 08-04-2019

Slechts handvol codes extra, maar schijn bedriegt.

Gisteren werd de aangifte in de personenbelasting gepubliceerd op de website van de FOD Financiën. Daarmee wordt een nieuw aangifteseizoen op gang getrapt. De Vlaamse aangifte dikt aan met zes codes en telt in totaal 829 codes. Voor de Brusselse en Waalse aangifte zijn er zeven codes meer. Quasi status quo dus.
Nauwelijks wijzigingen, zou u denken. Maar schijn bedriegt. Want eigenlijk zijn de nieuwe belastingmaatregelen goed voor tientallen nieuwe codes. Maar door te beknibbelen op oude codes – zonder dat daar een afschaffing van oude maatregelen tegenover staat – wordt dat aantal gecamoufleerd, zodat de netto-aanwas beperkt blijft tot een handvol codes. “Slechts zes” klinkt beter dan “meer dan twintig codes” extra. Zeker in een verkiezingsjaar. 

Nieuwe belastingverminderingen

De grootste aangroei zien we in het vak X van de aangifte, waar de belastingverminderingen worden gevraagd voor uitgaven die men deed in 2018. Hoewel er geen nieuwe gewestelijke belastingverminderingen bijkomen – Vlaanderen voerde er zelfs eentje af, die voor dakisolatie – voerde de federale overheid er een pak nieuwe in.

Pensioenovereenkomst voor zelfstandigen (code 1342 en 2342)

In het vak X doet de nieuwe ‘pensioenovereenkomst voor zelfstandigen’ of POZ haar intrede. Naast het bestaande ‘vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen’ of VAPZ, beschikt een zelfstandige sinds kort over een tweede specifiek instrument om zijn pensioen aan te vullen. De POZ kan enkel worden gesloten door ‘zelfstandigen buiten vennootschap’. Dat zijn de zelfstandigen met winst (vak XVIII), zelfstandige met baten (vak XIX) en meewerkende echtgenoten (vak XXI). Bedrijfsleiders en werknemers zijn uitgesloten. Het was daarom logischer geweest mocht de nieuwe POZ opgenomen zijn in die vakken (XVIII, XIX en XXI) te meer omdat de POZ-bijdrage afhangt van het aldaar aangegeven inkomen. Maar om het aantal nieuwe codes te beperken, is er voor slechts één nieuwe rubriek geopteerd in het algemene vak van de belastingverminderingen (vak X, rubriek D). De zelfstandige geeft hier dus de bijdrage aan die hij in 2018 betaalde voor zijn nieuwe pensioenovereenkomst. Die bijdrage geeft recht op een belastingvermindering van 30 procent. Betaalde hij 2000 euro, dan bespaart hij 600 euro belasting. Woont hij in een gemeente met 8 procent gemeentebelasting, dan is dat 648 euro fiscaal voordeel (600 x 1,08). Op het einde van de rit betaalt de zelfstandige 10 procent belasting op zijn POZ-kapitaal.

Duaal pensioensparen (1361 en 2361)

Ietwat verrassend krijgt het pensioensparenbis - de tweede pensioenspaarformule die we sinds vorig jaar kennen - geen nieuwe rubriek, maar wordt het ondergebracht in de huidige rubriek voor pensioensparen. Ofwel betaalde u in 2018 maximaal 960 euro in de oude formule tegen een belastingvermindering van 30 procent, ofwel koos u uitdrukkelijk voor de nieuwe formule en betaalde u meer, tot maximaal 1230 euro, tegen een vermindering van 25 procent. Beide betalingen komen dan terecht naast dezelfde gemeenschappelijke code (1361 en 2361). Tot een aangegeven bedrag van 960 euro past de fiscus daar dan een belastingvermindering op toe van 30 procent. Is het aangegeven bedrag hoger dan 960 euro, dan wordt slechts een vermindering van 25 procent toegekend. Betaalde u in de nieuwe formule meer dan 960 euro, bv. 1000 euro, dan mag u het aangegeven bedrag toch niet beperken tot 960 euro om de vermindering van 30 procent te verkrijgen. De fiscus houdt altijd rekening met het werkelijk betaalde bedrag zoals dat blijkt uit het fiscale attest (zie Circulaire van 11 juni 2018).

Aandelen van groeibedrijven (code 1334 en 2334)

Na de in 2015 ingevoerde belastingvermindering voor investeringen in aandelen van ‘startende kmo’s’, kunt u sinds vorig jaar ook fiscaal interessant investeren in ‘groeiende kmo’s’ wanneer die groeier nieuwe aandelen uitgeeft bij een kapitaalverhoging. Starter is een kmo de eerste vier jaar na oprichting, groeier de volgende zes jaar. Een groeibedrijf is een bedrijf waarvan het personeelsbestand of de jaaromzet de laatste twee jaar gemiddeld met minstens 10 procent per jaar gestegen is. De investering is fiscaal geplafonneerd op 100.000 euro per jaar en per persoon. Dat maximum geldt voor groeiers en starters samen. De investering in een groeibedrijf levert 25 procent belastingvermindering op, dus maximaal 25.000 euro belastingvoordeel. Maar u moet wel minstens voor dat bedrag belasting betalen, tegen het gewone progressieve belastingtarief. Want geen belastingvermindering zonder belasting! Als bedrijfsleider kunt u niet fiscaal investeren in uw eigen groeibedrijf.
Kocht u in 2018 nieuwe aandelen van zo’n groeibedrijf – rechtstreeks of via een crowdfundingplatform – dan  geeft u die investering aan in de nieuwe rubriek H van vak X. De fiscus berekent dan zelf de belastingvermindering.

Privak-verliezen (code 1329 en 2329)

Deze nieuwe rubriek zal maar heel uitzonderlijk worden gebruikt. Ze is bedoeld voor de eerder ongelukkige investeringen in een private privak. Leed u een verlies of minderwaarde bij de volledige liquidatie van de privak, dan kunt u dat verlies hier tot maximaal 25.000 euro inbrengen. 25 procent van dat verlies recupereert u dan via de belastingaangifte. Tenminste als de privak is opgericht na 2017. Want verliezen op oudere privaks geven geen recht op de belastingvermindering.

Adoptie (code 1341)

Adopteert u een kind via een erkende adoptiedienst, dan krijgt u voor die adoptie nu ook een belastingvermindering. Met deze laatste nieuwe vermindering sluit het vak X van de aangifte af (rubriek M). Als adoptieouder moet u de vermindering zelf berekenen. Eenvoudig is dat niet. Is de adoptieprocedure beëindigd in 2018 – het recht op de vermindering ontstaat in het jaar waarin de procedure is beëindigd – dan telt u alle uitgaven samen gemaakt in het kader van de adoptie sinds 1 januari 2013 (!). Het gaat om uitgaven gedaan voor de geschiktheidsprocedure, betaald aan de erkende adoptiedienst, dossierkosten, reiskosten van en naar het land van herkomst van het adoptiekind en verblijfskosten in dat land. Van dat bedrag neemt u dan 20% en het resultaat geeft u hier aan. U mag wel niet meer vermindering vragen dan 6150 euro. Dat is de maximale belastingvermindering per adoptie en stemt overeen met 30.750 euro adoptie-uitgaven. De vermindering geldt zowel voor procedures die afgerond zijn als voor procedures die vroegtijdig zijn stopgezet.

Nieuwe belastingvrijstelling van dividenden (code 1437 en 2437)

De nieuwe belastingvrijstelling van dividenden vinden we terug in het vak VII van de aangifte.
De vrijstelling is beperkt tot 640 euro en geldt enkel voor dividenden van aandelen. De vrijstelling werd ingevoerd om het spaargeld van de Belg te activeren, om hem er toe aan te zetten zijn spaargeld niet te parkeren op veilige spaarboekjes maar om het te beleggen in risicovollere aandelen. Voorlopig maar met matig succes.

De vrijstelling wordt echter niet toegepast aan de bron bij uitbetaling van de dividenden door financiële instellingen en bedrijven. Zij houden de roerende voorheffing (in principe 30 procent) nog steeds in op het volledige bedrag van de dividenden, zonder rekening te houden met de vrijstelling van 640 euro. Als belegger moet u zelf de vrijstelling claimen in de aangifte. Niet door het bedrag van de vrijstelling (640 euro) aan te geven, want dat zou 12 extra codes impliceren aangezien dividenden worden belast tegen zes verschillende tarieven. Maar wel door zelf de in feite onterecht ingehouden roerende voorheffing op het vrijgestelde bedrag van uw dividenden te berekenen en die roerende voorheffing aan te geven in de nieuwe rubriek A1b van vak VII. Hebt u in 2018 dividenden van aandelen ontvangen (netto minstens 448 euro) waarop door de bank 30 procent roerende voorheffing is ingehouden, dan geeft u naast de nieuwe code 1437 of 2437 een roerende voorheffing van 192 euro aan (640 euro x 0,30). Ondergingen de dividenden een roerende voorheffing van 20%, dan is dat maximaal 128 euro (640 x 0,20). U claimt de vrijstelling bij voorkeur op dividenden waarop roerende voorheffing is ingehouden tegen het hoogste tarief (30%). Het door u aangegeven bedrag van roerende voorheffing wordt dan verrekend met de verschuldigde belasting en eventueel terugbetaald.

U moet de documenten en bankafschriften waaruit de betaling van de aandelendividenden en de ingehouden roerende voorheffing blijkt, goed bijhouden om die bij een eventuele controle voor te leggen. U ontvangt immers niet standaard een fiscaal attest met de jaarbedragen van uitgekeerde dividenden en ingehouden roerende voorheffing.

Veel belastingplichtigen die nu een voorstel van vereenvoudigde aangifte (VVA) ontvangen, zullen dat voorstel moeten aanvullen of hun taxonweb-aangifte moeten corrigeren (met de nieuwe code *437) om aanspraak te maken op de vrijstelling. Denk bv. aan gepensioneerden met coöperatieve aandelen.  

Ontving u dividenden uit het buitenland, waarop geen roerende voorheffing werd ingehouden, dan past u de vrijstelling eenvoudig toe door de eerste 640 euro van die dividenden niet aan te geven. Dat kan en mag dus vanaf deze aangifte. Let op, de vrijstelling is beperkt tot 640 euro en geldt voor álle dividenden van 2018 samen. De vrijstelling geldt wel per persoon.

Dit jaar is de vrijstelling opgetrokken tot 800 euro. De ingehouden roerende voorheffing hierop (in principe 240 euro) geeft u dan aan als te recupereren belasting in de aangifte van volgend jaar.

Enkel dividenden van aandelen geven recht op de vrijstelling, ook coöperatieve aandelen (bv. van CrelanCo, Cera of Argen-Co). Dividenden van ICB’s of van gemeenschappelijke beleggingsfondsen geven geen recht op de vrijstelling. Die beleggingen zijn te weinig risicovol. Ook niet de dividenden uitgekeerd door juridische constructies zoals stichtingen en trusts. Daar zit dan weer een reukje aan…

Nieuwe meldplicht(en) (code 1072 en 2072)

De nieuwe taks op effectenrekeningen laat ook zijn sporen na in de belastingaangifte, meer bepaald in het vak XIV. In de nieuwe rubriek E moet u melden of u in de loop van 2018 titularis bent geweest van meer dan één effectenrekening. De taks op effectenrekeningen is pas verschuldigd wanneer de gemiddelde waarde van de beleggingen op een effectenrekening 500.000 euro of meer bedraagt. In dat geval houdt de instelling die de effectenrekening beheert, de taks van 0,15 procent automatisch in. Maar als u meerdere effectenrekeningen hebt, bij verschillende banken, beursvennootschappen of andere instellingen, en elke rekening afzonderlijk onder het grensbedrag van 500.000 euro blijft, dan wordt de taks in principe niet ingehouden. In dat geval moet u, als de totale waarde op al uw effectenrekeningen samen 500.000 euro bereikt, zelf spontaan aangifte doen voor de betaling van de taks.
Daarom wordt u vanaf dit jaar gevraagd te melden of u houder bent van meerdere effectenrekeningen, zodat de fiscus gerichter kan controleren of de taks correct wordt betaald. Die meldplicht is echter absoluut en geldt ongeacht de waarde van de effectenrekeningen. Een massa belastingplichtigen zal nu dus in de aangifte de nieuwe code 1072/2072 moeten aankruisen of hun voorstel van vereenvoudigde aangifte moeten corrigeren en aanvullen met die nieuwe code, terwijl de taks helemaal niet speelt omdat alle effectenrekeningen samen ruim onder het grensbedrag blijven. Men is immers al snel titularis van meerdere effectenrekeningen, vaak zonder het te beseffen, bv. omdat de rekening deel uitmaakt van een erfenis.

De tweede nieuwe meldplicht vinden we in rubriek A (tweede streepje) van vak XIV, naast de code 1075. Sinds 2018 zijn de roerende inkomsten (bv. intresten) die een feitelijke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid (= politieke organisaties, vakbonden, vakverenigingen, parochiale werken, jeugdbewegingen, culturele en sportverenigingen, enz.) verkrijgt op haar rekening, in de personenbelasting belastbaar bij de persoon die de rekening beheert. Dat is de persoon die beschikt over de handtekeningsbevoegdheid van die rekening. Doorgaans is dat de initiatiefnemer, voorzitter, penningmeester of andere aangeduide vrijwilliger van de vereniging.
Betreft het een buitenlandse rekening, dan moet die rekening naar analogie met de gewone meldplicht van buitenlandse rekeningen, vanaf nu ook worden gemeld in de aangifte door de beheerder van de rekening. Hij moet de belastbare roerende inkomsten verkregen op die rekening dan ook opnemen in zijn eigen aangifte.

Onbelast bijverdienen (code 1460 en 2460)

In 2018 kon u voor het eerst bruto tot maximaal 6.130 euro onbelast bijverdienen. Voor dit jaar is dat 6.250 euro. Belastingvrij bijverdienen kunt u met een activiteit in de deeleconomie via een internetplatform (bv. Deliveroo, Ubereats, enz.), met de nieuwe burgerdiensten of met verenigingswerk. Die laatste twee activiteiten moet u trouwens voorafgaandelijk registreren op de website www.bijklussen.be. Het plafond van 6.130 euro geldt voor de drie activiteiten samen. Bovendien kon u in 2018 met burgerdiensten en verenigingswerk bruto niet meer dan 510,83 euro per maand bijverdienen. Voor 2019 is dat 520,83 euro. Die maandgrens geldt niet voor de deeleconomie.

Voor een correcte aangifte hanteert u volgende drie regels:

  1. Blijven uw inkomsten onder deze jaar- en of maandgrensbedragen, dan zijn ze vrijgesteld en moet u ze niet aangeven.
  2. Overschrijden de inkomsten uit burgerdiensten en verenigingswerk de maandgrens van bruto 510,83 euro, dan zijn de inkomsten van die maand onweerlegbaar belastbaar als beroepsinkomen (tegen het normale progressieve belastingtarief van max. 50%). Het inkomen uit burgerdiensten geeft u dan aan in vak XVIII (winst) of in vak XIX (baten) naargelang van de soort activiteit. Voor inkomsten uit verenigingswerk is dat in principe het vak IV (werknemersbezoldigingen).
  3. Overschrijden de inkomsten uit de drie activiteiten samen (burgerdiensten, verenigingswerk en deeleconomie) de jaargrens van bruto 6130 euro, dan zijn de inkomsten in principe belastbaar als beroepsinkomen en moet u ze ook aangeven in de vakken met beroepsinkomsten. Voor inkomsten uit deeleconomie zijn dat de vakken XVIII (winst) en XIX (baten).
    Maar de kwalificatie ‘beroepsinkomen’ is in dit geval niet absoluut. Als u kunt bewijzen dat de bijverdienste geen beroepsactiviteit uitmaakt, dan zijn de inkomsten belastbaar als divers inkomen tegen 33%. En enkel in dat geval moet u de nieuwe rubriek B1 van vak XVI (diverse inkomsten) gebruiken. U geeft dan het bruto belastbaar bedrag aan (naast code 1460 en 2460). Voor inkomsten uit deeleconomie is dat het door het internetplatform werkelijk betaalde bedrag, inclusief alle kosten en inhoudingen aangerekend door dat platform. Voor inkomsten uit burgerdiensten en verenigingswerk is dat het bedrag van de op bijklussen.be geregistreerde prestaties. Kosten kunt u aftrekken, maar dan moet u die wel bewijzen. Er is geen wettelijk kostenforfait bij de kwalificatie ‘divers inkomen’. De kosten geeft u aan naast de nieuwe code 1248 en 2248. Belastbaar tegen 33% is dan het nettobedrag, dat is het brutobedrag na aftrek van kosten.
    OPMERKING: bij overschrijding van de jaargrens zal de kwalificatie ‘divers inkomen’ (en het gebruik van de nieuwe rubriek B1 van vak XVI) echter eerder uitzondering dan regel zijn, terwijl de kwalificatie ‘beroepsinkomen’ eerder regel is. We herhalen, bijverdiensten uit deeleconomie, burgerdiensten en verenigingswerk kunnen, als ze niet vrijgesteld zijn, enkel worden belast als divers inkomen als de bijverdiener bewijst dat ze geen beroepsinkomsten zijn. Niet duidelijk is hoe hij die moeilijke en negatieve bewijslast invult. Volgens de minister gebeurt dat “door aan te tonen dat de activiteiten in kwestie zich niet frequent genoeg voordoen en niet voldoende met elkaar verbonden zijn om als een voortdurende bedrijvigheid met een beroepskarakter te worden beschouwd”.

TIP: ook al zijn de inkomsten uit deeleconomie sinds 1 januari 2018 in principe vrijgesteld van belasting, toch is het goed mogelijk dat er vorig jaar, zeker tijdens de eerste zes maanden, nog bedrijfsvoorheffing is ingehouden door het internetplatform. Die bedrijfsvoorheffing moet, als het inkomen vrijgesteld is, worden terugbetaald of, als het inkomen bij overschrijding van de grensbedragen belastbaar is, worden verrekend. Die terugbetaling (of verrekening) vraagt de belastingplichtige zelf aan, niet langer in het vak XVI maar in een nieuw vak XIII in deel 1 van de aangifte. U mag dus zeker niet vergeten het bedrag naast code 461 op de fiscale fiche 281.29 voor deeleconomie over te nemen in het nieuwe vak XIII van de aangifte, mocht dat nog niet automatisch gebeurd zijn in uw Taxonweb-aangifte. Want iedere cent die u in dit vak aangeeft, is een uitgespaarde cent. Om te vermijden dat hiervoor speciaal een deel 2 van de aangifte moet worden aangevraagd, heeft men de codes 1461 en 2461 overgebracht van deel 2 naar deel 1 van de aangifte.

Nieuw kostenforfait voor zelfstandigen met winst

Vanaf 2018 genieten ‘zelfstandigen met winst’ (handel, nijverheid, landbouw…), die hun beroepsinkomen aangeven in vak XVIII hetzelfde wettelijke kostenforfait als werknemers. Het forfait bedraagt 30% van het inkomen met een maximum van 4720 euro (voor 2019 is dat 4810 euro). Dat is beduidend hoger dan het kostenforfait voor ‘zelfstandigen met baten’ (vrije beroepers). Zelfstandigen die worden belast op basis van forfaitaire grondslagen hebben geen recht op het nieuwe kostenforfait.
Het kostenforfait wordt toegepast op de brutowinst na aftrek van sociale bijdragen en na aftrek van de aankoopprijs van de verkochte handelsgoederen en van de grondstoffen.

Aangezien het kostenforfait automatisch berekend wordt door de fiscus, moeten de posten die voor de toepassing van het forfait eerst worden afgetrokken van de brutowinst (sociale bijdragen, verkochte handelsgoederen en grondstoffen), gekend zijn. Voor de sociale bijdragen gebeurt dat door invoeging van een nieuwe rubriek 7 in vak XVIII (nieuwe code 1632 en 2632), maar voor de aftrekpost ‘verkochte handelsgoederen en grondstoffen’ is er niet in een nieuwe rubriek voorzien. Men lost dit op door in de officiële toelichting bij de aangifte nu uitdrukkelijk in te schrijven dat de aan te geven brutowinst (in rubriek 1 van vak XVIII) het bedrag is NA aftrek van de aankoopprijs van verkochte handelsgoederen en van grondstoffen. Die aankoopprijs maakt in de aangifte dus geen deel uit van de beroepskosten; ze maakt eenvoudigweg geen deel uit van de aan te geven brutowinst.

Lagere belasting stopzettingsmeerwaarde (code 1686 en 2686)

Tijdens de hervorming van de vennootschapsbelasting werd beslist om het belastingtarief op sommige stopzettingsmeerwaarden in de personenbelasting te verlagen. Die maatregel kadert in de strijd tegen de vervennootschappelijking.

Stopzettingsmeerwaarden op materiële vaste activa die tot 2018 belastbaar waren tegen 16,5 procent, zijn vanaf 2018 nog slechts belastbaar tegen 10 procent op voorwaarde dat de meerwaarde gerealiseerd is ofwel bij de definitieve stopzetting van de zelfstandige activiteit vanaf de leeftijd van 60 jaar of overlijden, ofwel bij gedwongen definitieve stopzetting n.a.v. een schadegeval, handicap, onteigening, enz. In andere omstandigheden blijft de stopzettingsmeerwaarde belast tegen 16,5%.
Stopzettingsmeerwaarden op immateriële vaste activa waren tot 2018 belastbaar tegen 16,5 procent op voorwaarde dat de meerwaarde gerealiseerd was ofwel bij de definitieve stopzetting van de zelfstandige activiteit vanaf de leeftijd van 60 jaar of overlijden, ofwel bij gedwongen definitieve stopzetting en op voorwaarde dat de meerwaarde niet meer bedraagt dan de nettowinst of -baten van de vier jaren die aan de stopzetting voorafgaan. In die omstandigheden is vanaf 2018 het tarief van 16,5 procent verlaagd tot 10 procent.

Daarom is het vak XXII van de aangifte uitgebreid met een nieuwe rubriek 1a (code 1686 en 2686) waar nu de stopzettingsmeerwaarden belastbaar tegen het nieuwe voordeeltarief van 10 procent kunnen worden aangegeven.

En verder…

Verre verplaatsingen

In vak IV rubriek A16 wordt het ‘kostenforfait voor verre verplaatsingen’ anders omschreven. Die bijkomende forfaitaire aftrek (bovenop het gewoon kostenforfait) krijgt u als u minstens 75 km van uw werk woont. Tot nu moest u de bijkomende aftrek zelf bepalen en aangeven: 75 euro (bij een afstand tussen woon- en werkplaats van 75 tot 100 km), 125 euro (bij een afstand van 101 tot 125 km) of 175 euro (bij een afstand langer dan 125 km). Vanaf deze aangifte volstaat het om het aantal km tussen woon- en werkplaats aan te geven naast code 1256 en 2256. De fiscus bepaalt dan zelf de extra kostenaftrek.

Decemberpensioen

Rubriek A1 van vak V waar pensioenen worden aangegeven, is uitgebreid met zes extra codes. Net als wedden betaald door de overheid, worden de vanaf 2018 door de Federale pensioendienst betaalde pensioenen voor de maand december die voor de eerste maal betaald zijn in december van vorig jaar en niet langer in januari van dit jaar, niet belast tegen het normale progressieve tarief (van max. 50 procent) maar worden ze belast tegen het gemiddelde tarief dat van toepassing is op de inkomsten van 2018. Dat tarief is uiteraard voordeliger. Voor die specifieke ‘decemberpensioenen’ werden nieuwe codes ingelast, zowel bij de ‘wettelijke pensioenen’, als bij de ‘overlevingspensioenen’, als bij de ‘andere pensioenen’.

Sociaal of middelgroot

In het vak IX van de woonleningen is men duidelijk op zoek gegaan naar codes die geschrapt kunnen worden om de wildgroei aan nieuwe codes in de andere vakken te compenseren.
Ook al blijft het onderscheid voor oude leningen (van vóór 1989) tussen ‘sociale woning’ en ‘middelgrote woning’ fiscaal relevant – dat onderscheid werd niet afgeschaft – toch wordt het niet meer gemaakt in de aangifte, niet in het gewestelijke luik noch in het federale luik. De meeste van die oude leningen zijn immers uitgedoofd en hun kapitaalaflossingen worden dus nog maar zelden aangegeven. De kredietnemer van zo’n oude lening, gesloten voor een middelgrote woning, moet de kapitaalaflossing verder blijven beperken zoals voorheen.
Maar liefst 10 codes sneuvelen in het federale luik van vak IX, in de rubriek A3a waar nog de toepassing wordt gevraagd van de federale bijkomende vermindering voor intresten (de vroegere oude bijkomende intrestaftrek). Alle codes die de lening en de woning nader omschrijven (datum lening, bedrag lening, ingebruikname woning…) zijn geschrapt. Die gegevens kunnen federaal immers nooit meer wijzigen. Federaal zit de bijkomende intrestvermindering in een definitief uitdoofscenario. Zonodig worden die gegevens nog gehaald uit de vorige aangifte.

Wijk-werken

Vlaanderen heeft zijn PWA-stelsel herdoopt in Wijk-werkstelsel. In het Vlaamse luik van vak X (belastingverminderingen) zijn de PWA-cheques dan ook verdwenen en terug te vinden als Wijk-werkcheques, zonder inhoudelijke wijzigingen.

Carry back

De pas vorige maand goedgekeurde carry back in de land- en tuinbouwsector die al geldt vanaf 2018 heeft de belastingaangifte helaas niet meer gehaald. De carry back of ‘achterwaartse verliesverrekening’ biedt een land- of tuinbouwer de mogelijkheid om zijn beroepsverliezen, geleden door schade aan landbouwteelten en veroorzaakt door noodweer (hagel, storm, overstroming…) af te trekken van de winst van de drie vorige jaren. Voor schade geleden in 2018 is dat de winst van 2015, 2016 en 2017. Zo kan hij belasting die hij voor het verleden betaalde, terugkrijgen. De fiscus verleent hiervoor ambtshalve ontheffing. De carry back moet echter uitdrukkelijk worden gevraagd in de belastingaangifte, en dat zou in feite al in de huidige aangifte moeten kunnen gebeuren. Maar omdat de aangifte al was opgesteld toen de regeling definitief goedgekeurd werd, zal de carry back dit jaar uitzonderlijk gevraagd worden in een afzonderlijk, nog nader te bepalen formulier.

Besluit

Auteur: Jef Wellens

  22700