Bedrijfsleider, is uw wettelijke minimumbezoldiging geregeld?

De nieuwe wet omtrent de minimumbezoldiging voor bedrijfsleiders heeft al heel wat inkt doen vloeien. Vooral de bijkomende taks die de fiscus oplegt aan vennootschappen die hun bedrijfsleider minder dan 45.000 euro betalen, is onderwerp van discussie. Wat maakt de berekening precies zo complex? En hoe kunt u als boekhouder/accountant uw klanten hierin begeleiden?

Gepubliceerd op 24-01-2019

Wat zegt de wet over de wettelijke minimumbezoldiging?

Vennootschappen die niet aan ten minste één van hun bedrijfsleiders een jaarlijkse bezoldiging toekennen van 45.000 euro, lopen sinds de hervorming van de vennootschapsbelasting een dubbele sanctie op:

  1. ze hebben geen recht op het verlaagd tarief
  2. ze moeten een afzonderlijke aanslag betalen van 5,1 procent op het ontoereikende bedrag (het verschil tussen de minimumbezoldiging en het effectief uitgekeerde bedrag).

Belangrijke opmerkingen:

  • de term ‘bezoldiging’ mag ruim geïnterpreteerd worden (ook inkomsten die de bedrijfsleider ontvangt in een andere hoedanigheid binnen dezelfde vennootschap vallen hieronder: tantièmes, extralegale voorwaarden, zitpenningen, voordelen alle aard, … )
  • is het belastbaar resultaat (in dit geval: het resultaat na uitbetalen van de bezoldiging) lager dan 45.000, dan betaalt de vennootschap een bezoldiging die minstens gelijk is aan de behaalde winst.

De berekening van de minimumbezoldiging

De bijkomende aanslagvoet van 5,1 procent zorgt voor hoofdbrekens bij boekhouders en accountants. Vooral bij een relatief laag resultaat, wanneer de zogenaamde 50 procent-regel van toepassing is. De wettelijke minimumbezoldiging bedraagt dan niet 45.000 euro, maar de helft van het resultaat voor aftrek van de bezoldiging.

Een voorbeeld:
Bvba Klein heeft een belastbaar resultaat van 42.000 euro. De bezoldiging aan de zaakvoerder bedraagt 18.000 euro.

Berekening wettelijke minimumbezoldiging:
42.000 euro
+ 18.000 euro
= 60.000 euro (resultaat voor aftrek bezoldiging)
60.000/2 = 30.000 euro

Met andere woorden: de vennootschap heeft 12.000 euro (30.000 – 18.000) te weinig betaald aan de bedrijfsleider en moet op dat verschil een bijkomende aanslag van 5,1 procent betalen (namelijk 612 euro).

Het probleem van de iteratieve berekening

  2053