Back to school: vrijstelling onroerende voorheffing voor gebouwen gebruikt voor onderwijs

Onderwijsinstellingen zijn vrijgesteld van het betalen van onroerende voorheffing op de gebouwen die ze gebruiken voor het verstrekken van onderwijs. Natuurlijk zijn er aan deze vrijstelling ook voorwaarden verbonden: de onderwijsinstelling mag geen winstoogmerk hebben, de instelling moet ‘onderwijs’ verstrekken en het gebouw moet noodzakelijk zijn voor de pedagogische activiteit van de onderwijsinstelling. We bekijken deze voorwaarden in meer detail.

Geen winstoogmerk

 

De onderwijsinstelling mag geen winstoogmerk nastreven. De overheid wil hiermee immers vooral instellingen die een belangrijke maatschappelijke functie uitoefenen, fiscaal ondersteunen.
Het komt er in feite op neer dat de vrijstelling geldt voor scholen ingericht door een overheid (gemeenschapsscholen, gemeentelijke scholen) of een religieuze orde (het katholiek onderwijs) of andere levensbeschouwelijke groeperingen (scholen die een specifieke filosofische of pedagogische leer volgen, o.a. Steinerscholen, Freinetscholen, Montessorischolen).

Het is dan ook logisch dat commerciële ondernemingen die onderwijs aanbieden in de vorm van cursussen, seminaries en bijscholingen niet van de vrijstelling kunnen genieten.

Systematisch verstrekken van onderwijs

Daarmee komen we bij de kernvoorwaarde: het verstrekken van ‘onderwijs’. Het is dus cruciaal om te weten wat er onder ‘onderwijs’ precies wordt verstaan: volgens het Hof van Cassatie gaat het om een didactische werkzaamheid van een onderwijzer ten behoeve van een leerling.

Zo mag er bij het beoordelen of een instelling onderwijs aanbiedt in principe geen rekening gehouden worden met de inhoud van de leerstof, de duur van het onderwijs of de hoedanigheid van de onderwijsverstrekker of de leerlingen (die mogen bv. ook meerderjarig zijn). Het hoeft ook geen traditioneel onderwijs zijn dat wordt verstrekt door scholen of universiteiten. Ook een vzw die lessen, cursussen en seminaries aanbiedt kan er onder vallen.

Zo kan bv. een school die niet erkend is, omdat ze het door de overheid voorgeschreven lesprogramma en de eindtermen niet volgt, maar wel lessen inricht voor leerlingen, toch niet worden uitgesloten van de vrijstelling.

Anderzijds is niet ieder gebouw dat gebruikt wordt voor een activiteit met een educatieve waarde automatisch vrijgesteld. Niet elke activiteit met een pedagogische waarde is immers gelijk te stellen met ‘onderwijs’. Zo werden in het verleden door de fiscus en de rechtspraak zowel een dierentuin (eerder toeristisch of wetenschappelijk doel) als musea (cultureel doel) van de vrijstelling uitgesloten: hoewel hun activiteit ongetwijfeld ook pedagogisch relevant is, verstrekken ze geen onderwijs.

Noodzakelijk voor het pedagogisch doel van de gebruiker

Het is niet voldoende dat er een onderwijsfunctie in het gebouw wordt uitgeoefend. Het gebouw moet noodzakelijk zijn voor die functie. Dat betekent evenwel niet dat er in het gebouw zelf ook lessen moeten worden gegeven.

Zo kunnen ook noodzakelijk zijn voor het onderwijs:

  • gebouwen waar onderwijzend personeel verblijft;
  • gebouwen waar de leerlingen verblijven;
  • de woning van de conciërge;
  • bergplaats en archief.

Ter zijde

De vrijstelling van onroerende voorheffing geldt niet enkel voor gebouwen die gebruikt worden voor onderwijs, maar eveneens voor gebouwen die worden ingezet voor andere belangrijke maatschappelijke diensten: erediensten en vrijzinnige morele dienstverlening, hospitalen en klinieken, rusthuizen, weldadigheidsinstellingen.

Gepubliceerd op 28-08-2015

  488