Afwijkende fiscale regels voor kmo’s: een overzicht

Het hoeft geen betoog dat kmo’s een bijzonder belangrijke rol spelen in de Belgische economie. Als gevolg daarvan, hebben kmo’s in ons fiscaal stelsel een bijzondere plek verworven. Meer dan één  bepaling uit het WIB bevat een andere regel voor ‘kleine vennootschappen’ dan voor ‘grote vennootschappen’.  Met deze gunstige behandeling, wil de regering kmo’s (blijvend) aanmoedigen. Het is evenwel niet altijd makkelijk om door het fiscale bos de bomen nog te zien. Daarom geven we graag een overzicht van de vijftien afwijkende regels die momenteel bestaan voor kmo’s.

Een kleine vennootschap

De hieronder opgesomde speciale regels gelden voor vennootschappen die ‘klein’ zijn in de zin van artikel 15 van het Wetboek van Vennootschappen.

Voor alle duidelijkheid brengen we nog even de criteria in herinnering: 

  • balanstotaal: 3.650.000 EUR;
  • omzet (excl. btw): 7.300.000 EUR;
  • aantal werknemers: 50.

Een vennootschap is klein als ze tijdens het laatste en voorlaatste boekjaar niet meer dan één van deze drempels heeft overschreden. Als het jaargemiddelde personeelsbestand meer dan 100 werknemers bedraagt, is de vennootschap in ieder geval ‘groot’.

De criteria worden op geconsolideerde basis beoordeeld: er wordt dus gekeken naar de totale omzet, balanstotaal, aantal werknemers als de vennootschap verbonden is met één of meer andere vennootschappen.

(1) Dividenden van nieuwe aandelen: verlaagde roerende voorheffing

Aan de roerende voorheffing werd de laatste jaren heel wat gesleuteld. Uiteindelijk werd het normale tarief,  zowel voor interesten als dividenden, op 25 % gebracht. Ook daar werden evenwel opnieuw uitzonderingen op ingevoerd. Eén uitzondering geldt voor dividenden op aandelen uitgegeven naar aanleiding van een oprichting of een kapitaalsverhoging van een kmo  die plaatsvindt vanaf 1 juli 2013.

Er geldt een bijzonder tarief, als de volgende voorwaarden vervuld zijn:

  • de inbreng gebeurt in geld; 
  • de nieuwe aandelen die in ruil uitgegeven worden, zijn op naam;
  • de aandelen worden ononderbroken in volle eigendom van de inbrenger behouden; 
  • de aandelen zijn niet preferent.

Voor deze dividenden geldt een tarief van 20 % als ze worden uitgekeerd in het tweede jaar na de inbreng of 15 % vanaf het derde jaar na de inbreng.

(2) Aandelen: geen meerwaardebelasting van 0,4 %

Voor vennootschappen werd er vanaf 1 januari 2013 een belasting van 0,4 % ingevoerd op meerwaarden op aandelen. Deze heffing is enkel van toepassing op grote vennootschappen.

Let op: deze heffing van 0,4 % op meerwaarden op aandelen, mag niet verward worden met de belasting van 25 % op meerwaarden op aandelen die niet gedurende een ononderbroken periode van één jaar worden behouden. Deze meerwaardebelasting is van toepassing op grote én kleine vennootschappen.

(3) Kortere houdperiode voor ‘vastgeklikte’ reserves

Om de impact van de verhoging van de roerende voorheffing op liquidatieboni te milderen, kunnen vennootschappen hun belaste reserves tegen 10 % ‘vastklikken’. Zo kunnen ze hun reserves omzetten in gestort kapitaal, dat later belastingvrij aan de aandeelhouders kan worden uitgekeerd. De vastgeklikte/omgezette reserves moeten dan wel tijdelijk als gestort kapitaal behouden blijven. Ze mogen met andere woorden niet onmiddellijk via een kapitaalvermindering weer uitgekeerd worden. Kleine vennootschappen moeten vier jaar wachten. De verplichte houdperiode voor andere vennootschappen duurt dubbel zo lang (acht jaar).

(4) Fairness tax

Enkel grote ondernemingen zijn aan de fairness tax onderworpen.

(5) Afschrijvingen: geen proratering van eerste afschrijving

In de regel moet de eerste afschrijvingsannuïteit (afschrijving in het jaar van de aankoop) geprorateerd worden. Als het goed slechts zes maanden gebruikt werd in het eerste jaar, mag slechts 6/12 van de afschrijvingsannuïteit in dat eerste jaar worden afgeschreven. Een voorbeeld: een vennootschap koopt op 1 juli 2013 een machine van 70.000 EUR af te schrijven over tien jaar, dus 7.000 EUR per jaar. De vennootschap  mag tijdens 2013 slechts de helft van de normale jaarlijkse afschrijving doen, nl. 3.500 EUR (voor het gebruik van juli tot december).

Een kmo is niet aan deze beperking onderworpen. Mocht de vennootschap in ons voorbeeld een kmo zijn, kon ze in 2013 al 7.000 EUR afschrijven (zelfs al werd het goed pas aangekocht op 1 juli, of zelfs op 1 december).

 (6) Afschrijvingen bis: afschrijving naar wens

Kmo’s mogen de bij de aankoop horende kosten naar wens afschrijven. De bijkomende kosten mogen in één keer worden afgeschreven of gespreid over het aantal jaren waarin het goed (waaraan de bijkomende kosten kleven) wordt afgeschreven.

(7) Notionele interestaftrek

Kmo’s hebben recht op een hogere notionele interestaftrek (gewoon tarief + 0,50 %). Voor 2014 (aanslagjaar 2015) bedraagt de aftrek voor kmo’s: 3,130 %.

(8) Belastingvrij aanleggen van een investeringsreserve

Kmo’s kunnen een belastingvrije investeringsreserve aanleggen.

(9) Investeringsaftrek: herinvoering van ‘gewone’ investeringsaftrek

Kmo’s hebben recht op de ‘gewone’ investeringsaftrek van 4 % als ze in 2014 of 2015 investeren in materiële en immateriële vaste activa die tijdens het boekjaar in nieuwe staat zijn verkregen of tot stand zijn gebracht en in België worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid. De investeringen moeten betrekking hebben op de werkelijke economische activiteit van de vennootschap. Investeringen die wel voor de beroepswerkzaamheid kunnen dienen (bv. een onroerend goed bestemd voor de huisvesting van de bedrijfsleider) maar niet rechtstreeks voor de activiteit worden gebruikt komen niet in aanmerking voor de maatregel.

(10) Investeringsaftrek bis: investering in beveiliging

Enkel kleine vennootschappen hebben recht op een investeringsaftrek van 21,5 % (investeringen 2013, aj. 2014) voor investeringen in beveiliging. Voor investeringen die in de loop van dit jaar gedaan worden, bedraagt het tarief 20,5 %.

(11) Kostenaftrek van 120 % voor beveiliging

Kmo’s die uitgaven doen inzake beveiliging (bv. bewakingsfirma inschakelen) kunnen die voor 120 % aftrekken. Dus meer dan de werkelijke kost.

(12) Octrooi-aftrek: geen eigen onderzoekscentrum nodig

De aftrek voor octrooi-inkomsten werd ingevoerd om bedrijven te stimuleren om in te zetten op innovatie. Vennootschappen mogen 80 % van de inkomsten die zij verkrijgen uit de exploitatie van octrooien in mindering brengen van hun belastbare basis, als  ze over een eigen onderzoekscentrum beschikken. Omdat dit voor kmo’s praktisch niet haalbaar is, werd deze voorwaarde voor hen afgeschaft vanaf aanslagjaar 2014.  Kmo’s mogen dus ook op een extern onderzoekscentrum beroep doen.

 (13) Geen vermeerdering voor voorafbetalingen in eerste drie jaar

Kmo’s moeten geen vermeerdering betalen als ze in de eerste drie boekjaren vanaf hun oprichting geen voorafbetalingen doen.

(14) Bedrijfsvoorheffing: hogere vrijstelling van doorstortingsverplichting

Ondernemingen moeten 1 % van de door hen ingehouden bedrijfsvoorheffing niet doorstorten. Vanaf 1 januari 2014 wordt dit vrijstellingspercentage voor kleine vennootschappen opgetrokken tot 1,12 %.

(15) Young Innovative Company

Enkel kleine vennootschappen kunnen als Young Innovatice Company erkend worden. Dit zijn bedrijfjes die aan onderzoek doen en waarvan de kosten voor onderzoek en ontwikkeling minstens 15 % van de totale kosten bedragen. Zij moeten 80 % van de bedrijfsvoorheffing die ze inhouden op de bezoldiging van hun wetenschappelijk personeel niet doorstorten aan de Schatkist.


aangiftegidsVenB  In de Aangiftegids Vennootschapsbelasting van Yves Verdingh kan u hierover nog veel meer lezen. De auteur leidt u aan de hand van het aangifteformulier door alle aspecten van de vennootschapsbelasting. Het boek is de ideale praktische gids bij het invullen van de aangifte. Daarnaast biedt het, dankzij de vele verwijzingen naar wetgeving, rechtspraak, rechtsleer, rulings en administratieve commentaren, ook een uitstekend vertrekpunt voor wie er meer over wil weten.

Gepubliceerd op 16-04-2014

  437