Aangifte personenbelasting per gewest

Gepubliceerd op 04-04-2018

“Aangifterubrieken die enkel relevant zijn in één bepaald gewest, verzwaren de aangifte voor inwoners van de andere gewesten. Door de aangifte te regionaliseren - één aangifte per gewest – zou het gebruik van verkeerde aangiftecodes kunnen worden vermeden en een boel overbodige codes kunnen worden geschrapt”, dat was vorig jaar de conclusie van het artikel ‘belastingaangifte 2017 barst uit haar voegen’. Wel, het is zover. Na de personenbelasting is nu ook de aangifte geregionaliseerd.

Drie aangiftes

Vanaf dit jaar kennen we niet één maar drie verschillende aangiftes. Een Vlaamse, Waalse en Brusselse, in plaats van één federale aangifte. Tenminste wat deel 1 van de aangifte betreft: de vakken I tot en met XIV. Deel 2 van de aangifte (vakken XV tot en met XXIII) blijft federaal. Een Compromis à la Belge dus, maar waarom?

Enkel in het eerste deel van de aangifte komen we regionale aangifterubrieken tegen die niet meer relevant zijn voor alle Belgen. Zo bijvoorbeeld in vak IX met de Vlaamse geïntegreerde woonbonus en de Waalse Chèque Habitat. Als Brusselaar heb je daar niets aan. En dat is ook zo voor de vakken X (belastingverminderingen) en XI (belastingkredieten) waar fiscale voordelen kunnen worden geclaimd die slechts van toepassing zijn in één regio, zo bijvoorbeeld het belastingkrediet voor de Vlaamse Winwinlening.

Hoe wordt bepaald welke aangifte je krijgt?

In de praktijk zal je de aangifte ontvangen (of via taxonweb indienen) van het gewest waar je dit jaar op 1 januari ingeschreven was in het rijksregister. Was je op 1 januari 2018 gedomicilieerd in het Vlaamse Gewest, dan vul je de Vlaamse aangifte in. Woonde je op dat moment echter in werkelijkheid al in het Waalse Gewest, omdat je draalde met de officiële wijziging van je domicilie, dan moet je toch de Waalse aangifte invullen. Want in dat geval is het Waalse Gewest bevoegd. Je zal de juiste fiscale woonplaats eventueel zelf moeten aantonen.

Minder codes

Ook al stond de regionalisering van de aangifte in de sterren geschreven sinds de zesde staatshervorming, toch heeft het nog drie jaar geduurd om de stap van een federale naar een Vlaamse, Waalse en Brusselse aangifte te zetten. De aangifte ook dit jaar nog federaal houden, zou echter betekenen dat er in het vak van de woonleningen alweer nieuwe codes moesten bijkomen, enkel voor het Waalse Gewest. Waarop de Vlaamse en Brusselse inwoners dan weer moesten worden gewezen via nieuwe voetnoten. Trop is uiteindelijk toch te veel. Zeker in een verkiezingsjaar waarin men de boodschap van een verder uitdijende belastingaangifte liever wil vermijden.

Dan liever een gewestelijke aangifte. Die doet het aantal codes fors slinken. Zo telt de nieuwe Vlaamse aangifte, gespeend van alle overbodige Waalse en Brusselse codes (én voetnoten), nog slechts 823 codes in plaats van de 885 codes die de federale aangifte vorig jaar nog telde. De Brusselse doet nog beter met ‘slechts’ 807 codes. Het Brussels Gewest hervormde dan ook drastisch haar personenbelasting met een afschaffing van een hoop belastingverminderingen, o.a. voor nieuwe woonleningen. De Waalse aangifte blijft steken op 826 codes. In dat Gewest is de woonfiscaliteit dan ook het meest complex. Zo zijn er 95 Waalse, 86 Vlaamse en 83 Brusselse codes voor woonleningen. Het totaal aantal unieke codes over de drie aangiftes heen bedraagt 849.

De afbouw van het aantal codes heeft vooral een grote symboolwaarde. Getuige daarvan de naarstige zoektocht naar andere plekken in de aangifte waar codes konden worden geschrapt, zonder dat daar een vereenvoudiging van de fiscaliteit tegenover staat. Zo worden de belastbare inkomsten uit aandelenopties (in vak IV en vak XVII) niet meer vermeld naast aparte codes, maar zijn ze in de nieuwe aangifte opgenomen onder de algemene rubriek voor bezoldigingen. Zo staan de verschillende hoedanigheden van ‘fiscaal alleenstaande’ in vak II (ongehuwd, uit de echt gescheiden of van tafel en bed gescheiden) nu gebundeld naast één code in plaats van de vroegere vijf codes. En in vak VII (roerende inkomsten) verdwijnen er maar liefst 24 codes door de ‘verplicht aan te geven inkomsten’ (andere dan die uit spaarboekjes) te bundelen in één rubriek, terwijl er aan de spaarfiscaliteit niets wezenlijks wijzigde.

Op die manier komt er, zonder dat het te veel opvalt, ruimte voor nieuwe codes die wel het gevolg zijn van nieuwe belastingmaatregelen. Want u had toch niet gedacht dat onze personenbelasting er eenvoudiger op was geworden?

Nieuwkomers

De belangrijkste nieuwigheden treffen we al meteen aan in het begin van de aangifte. Vak II (persoonlijke gegevens en gezinslasten) telt immers twee nieuwe rubrieken, een rubriek 5 en 6.

Rubriek 6 is enkel bedoeld voor ‘nieuwkomers’, d.w.z. zij die in 2017 Belgisch inwoner werden omdat ze naar België migreerden. Het betreft dus een beperkte groep belastingplichtigen. Die rubriek is het gevolg van de ‘proratering van fiscale voordelen’, een nieuwe maatregel die vanaf aanslagjaar 2018 (= inkomsten 2017) zowat alle federale belastingverminderingen, vrijstellingen en grensbedragen beperkt tot het werkelijke duur van het inkomstenjaar waarvoor men onderworpen was aan de personenbelasting.

Concreet moet elke ‘nieuwkomer’ in deze rubriek het aantal maanden van 2017 invullen dat hij in België verbleef, te tellen vanaf de dag van aankomst, waarbij een aankomst vóór de zestiende van de maand als een volle maand wordt geteld. De datum van inschrijving in het rijksregister wordt hierbij gebruikt als ‘weerlegbaar wettelijk vermoeden’. Iemand die in België arriveerde op 17 oktober 2017 vult dus naast de nieuwe code 1199, het cijfer ‘2’ (maanden) in. Kwam hij op 15 oktober aan, dan vult hij hier ‘3’ in. Dat getal vormt dan de teller van de breuk (bv. 2/12de of 3/12de) waarmee de federale fiscale voordelen worden beperkt. Zo bv. het huwelijksquotiënt, de forfaitaire beroepskosten, de belastingverminderingen voor pensioensparen, giften, kinderen, vervangingsinkomsten, enzovoort.

Men stapt dus af van het eeuwenoude principe dat fiscale voordelen altijd worden toegekend voor hun jaarbedrag, ongeacht de reële duur van het (inkomsten)jaar. Wat geldt voor ‘nieuwkomers’ geldt uiteraard ook voor ‘vertrekkers’ die België definitief verlaten en zich uitschrijven. Toch wordt hier (nog) geen rekening mee gehouden. Want bij emigratie in 2017, moe(s)t er een ‘aangifte speciaal’ voor aanslagjaar 2017 worden gebruikt en de proratering van de fiscale voordelen geldt pas vanaf aanslagjaar 2018.

De situaties waarin de fiscale voordelen worden ‘geprorateerd’, beperken zich tot immigratie en emigratie. Na overlijden blijven de fiscale voordelen wel integraal toegekend, voor het hele jaar. Ook wanneer je, net afgestudeerd, pas in de loop van 2017 voor het eerst bent beginnen werken, worden de fiscale voordelen niet beperkt (als de student al op 1 januari 2017 in België verbleef). De aanvangsdatum van een beroepsactiviteit is dus niet relevant. De fiscus zal het aantal in deze nieuwe rubriek ingevulde maanden gebruiken om de ‘proratering’, d.w.z. vermenigvuldiging van de fiscale voordelen met de breuk ‘aantal maanden/12’, automatisch toe te passen in de belastingberekening. Tenminste daar waar hij dat kan. Want vaak zal de nieuwkomer zelf de beperking moeten toepassen. Hij wordt daar dan op gewezen in de toelichting bij de aangifte of in nieuwe voetnoten, zo bv. in vak II, voor de beperking van het bedrag van de ‘toegelaten nettobestaansmiddelen’, en in vak VII, voor de bepaling van het belastingvrije bedrag van intresten van spaarboekjes. Deze nieuwe maategel maakt de aangifte dus weer wat complexer, zij het voor een kleine groep belastingbetalers.

Alleenstaande ouder

“Eenoudergezinnen zijn de bevolkingsgroep met het grootste risico op armoede”, vindt onze wetgever. Daarom wordt de groep van ‘alleenstaande ouders’ vanaf deze aangifte fiscaal extra ondersteund, tenminste als ze een laag inkomen hebben. Een ‘alleenstaande ouder’ is iedere belastingplichtige die op 1 januari 2018 minstens één kind heeft (al dan niet in co-ouderschap) en die niet feitelijk samenwoont met andere personen dan zijn kinderen, (groot)ouders, broers, zussen of pleegouders. De alleenstaande mag dus niet feitelijk samenwonen met iemand anders, bv. een vriend of vriendin.

Dergelijke ‘alleenstaande ouder’ krijgt vanaf deze aangifte bovenop de reeds bestaande belastingvrije som voor ‘alleen belaste met kind’ van 1.550 euro nog een bijkomende belastingvrije som voor ‘alleenstaande ouder’ van 1.000 euro of een effectief voordeel van jaarlijks 250 à 450 euro, als ruggensteuntje. Bovendien ontvangt hij naast de huidige belastingvermindering voor kinderoppaskosten (van 45%), nog een extra vermindering (van 30%) voor diezelfde oppaskosten, in totaal dus 75%. Beide bijkomende voordelen worden, indien nodig, door de fiscus omgezet in een terugbetaalbaar belastingkrediet.

Deze maatregel “ter versterking van de sociale cohesie” is in feite vrij revolutionair, want voor het eerst moet nu ook in de personenbelasting, binnen de groep van de belastingplichtigen die alleen worden belast (= de ongehuwden of niet wettelijk samenwonenden), het onderscheid worden gemaakt tussen zij die ongehuwd feitelijk samenwonen en zij die effectief alleenstaand zijn. De maatregel is immers enkel bedoeld voor die laatsten. Dat onderscheid wordt in de aangifte gemaakt in de nieuwe rubriek 5 van vak II. Naast de nieuwe code 1101 moet de alleenstaande ouder nu bevestigen dat hij niet feitelijk samenwoont met andere dan de ‘toegelaten personen’ en dat hij dus recht heeft op de bijkomende fiscale voordelen. Een code die dus absoluut niet over het hoofd mag worden gezien!

Om recht te hebben op de extra fiscale voordelen moet de alleenstaande ouder echter wel een beroepsinkomen hebben van minstens 3.200 euro (na aftrek beroepskosten). Werkloosheidsuitkeringen tellen niet mee. Ziekte- en invaliditeitsuitkeringen wel. Maar hij mag ook weer niet te veel inkomsten hebben. Geniet de alleenstaande 19.000 euro of meer belastbaar inkomen, dan verliest hij het recht op de extra voordelen volledig. Vanaf een belastbaar inkomen van 15.000 euro worden de voordelen systematisch afgebouwd. De extra voordelen gelden zo in de praktijk enkel voor wie werkt, maar niet te veel…

De extra fiscale voordelen voor ‘alleenstaande ouder’ maken deel uit van de Wet betreffende de economische relance en versterking van de sociale cohesie, die nog maar pas (op 30 maart) werd gepubliceerd in het Staatsblad. Het wettelijk kader is dus nog maar net vastgelegd, maar geldt wel al retroactief voor heel 2017.

Gewestvakken

De vakken IX (woonleningen), X (belastingverminderingen) en XI (belastingkredieten) zijn de vakken die regionaal verschillen. Ze werden daarom heringedeeld.

In het Vlaamse vak IX noteren we nieuwe codes in het kader van de Vlaamse geïntegreerde woonbonus voor de aangifte van het aantal kinderen, om voor woonbonusleningen gesloten in 2016 te bepalen of de belastingplichtige recht heeft op de verhoging van de woonbonus. Verder zijn in dat vak alle overbodige Waalse en Brusselse codes geschrapt. Hetzelfde gebeurde in de Waalse en Brusselse aangiftes. Zo vinden we in het Brusselse vak IX geen spoor meer terug van de Vlaamse geïntegreerde woonbonus of de Waalse wooncheque. De rubriek ‘intresten van groene leningen’, waarmee het vak IX vroeger begon, is verhuisd naar het federale luik van vak IX. Dat is logisch, want die intresten geven recht op een federale vermindering.

Het vak X (belastingverminderingen) bundelt zowel in de Vlaamse, Waalse als Brusselse versie, in een eerste luik de in het betreffende gewest geldende gewestelijke belastingverminderingen en in een tweede luik, dat in alle aangiftes hetzelfde is, de federale verminderingen. De Vlaamse aangifte telt (voorlopig nog) zes belastingverminderingen, de Waalse vijf en de Brusselse, dat een aantal verminderingen schrapte met haar belastinghervorming, nog slechts drie.

In het vak XI tenslotte kan je in de Vlaamse aangifte het belastingkrediet voor Winwinleningen en in de Waalse aangifte het belastingkrediet voor ‘Coup de pouce’-leningen aanvragen. Hoewel er geen Brusselse belastingkredieten zijn, kent de Brusselse aangifte ook een vak XI met als noot “niet van toepassing voor het Brussels Hoofdstedelijk gewest”. Dat gebeurt om praktische redenen. Zo kan de nummering van de aangiftevakken gelijk blijven lopen, ook in deel 2 van de aangifte dat federaal blijft.

Kaaimantaks

In vak XIV van de aangifte is de omschrijving gewijzigd van de meldplicht van juridische constructies (trusts, stichtingen…) voor de heffing van de kaaimantaks. Naast de ‘oprichter’ van een juridische constructie moet iedereen die een voordeel ontving van de constructie (bv. een dividend uitgekeerd kreeg), die constructie melden in zijn aangifte. Die ‘iedereen die een voordeel ontving’ komt in de plaats van de vorig jaar afgeschafte categorie van de ‘derde-begunstigden’ die voorheen onderworpen waren aan de meldplicht.

Deeleconomie

De belangrijkste wijziging in deel 2 van de aangifte, vinden we in vak XVI (diverse inkomsten) waar een rubriek is toegevoegd voor de aangifte van de inkomsten uit deeleconomie (rubriek B1). Dat zijn inkomsten uit diensten die particulieren buiten hun normale beroepsactiviteit leveren aan andere particulieren via een erkend online platform. Denk bijvoorbeeld aan het bereiden van maaltijden via Flavr of het klussen via Listminut. De lijst van erkende platformen vindt u hier. Sinds vorig jaar bestaat er een fiscaal gunstregime voor inkomsten die men met zulke platformen verdient: een forfaitaire kostenaftrek van 50% en een voordelig belastingtarief van 20%. Dat brengt de belastingdruk op deeleconomie-inkomsten de facto op 10%. Dat gunstregime geldt echter enkel wanneer de in 2017 behaalde bruto-inkomsten uit deeleconomie niet hoger zijn dan 5.100 EUR. Behaalde men meer, dan is het volledige inkomen en dus niet enkel het bedrag in meer belastbaar als beroepsinkomen, tegen het normale belastingtarief.

Het internetplatform houdt bedrijfsvoorheffing in op de vergoedingen die het betaalt. Die voorheffing bedraagt in principe 10%. Maar de voorheffing is, wegens de grens van 5100 euro en het feit dat een belastingplichtige mogelijk van verschillende platformen inkomsten verkreeg, niet bevrijdend. De inkomsten moeten dus altijd, ter controle, worden aangegeven. En dat gebeurt nu dus voor de eerste keer: het bruto-inkomen moet men aangeven naast de nieuwe code (.)460 en de ingehouden bedrijfsvoorheffing naast de nieuwe code (.)461 van vak XVI.

En verder

Noteren we nog volgende wijzigingen in de aangifte:

  • de speculatiebelasting, de meerwaardebelasting bij verkoop van aandelen binnen zes maanden na aankoop, is voor die belasting goed en wel was ingevoerd, alweer afgevoerd. Daardoor verdwijnen er vier codes in vak XVI. Deze ‘belasting voor één jaar’ heeft intussen wel een opvolger, met de nieuwe ‘taks op effectenrekening’, die haar stempel zal drukken op de aangifte van volgend jaar, met een nieuwe meldplicht in vak XIV;
  • de vervroegde inningen op pensioensparen staan in de nieuwe aangifte niet langer apart vermeld in vak V (pensioenen) maar worden mee opgenomen onder de rubriek ‘bedrijfsvoorheffing’ omdat ze net als die voorheffing nu ook terugbetaalbaar zijn. Initieel waren ze dat niet – ze waren enkel verrekenbaar – maar dat is retroactief rechtgezet;
  • de inkomsten die studenten behaalden in het nieuwe statuut van ‘student-zelfstandige’ zijn uitgesloten van het belastingkrediet voor lage activiteitsinkomsten. Daarom moeten die inkomsten, naargelang van het soort activiteit, nog eens afzonderlijk worden aangegeven in de vakken XVII (bedrijfsleidersbezoldigingen), XVIII (winst), XIX (baten) of XXI (bezoldigingen meewerkende echtgenoot).

 

Besluit

De belangrijkste wijziging in de nieuwe aangifte is eerder formeel dan inhoudelijk van aard. De regionalisering van de personenbelasting werd niet meteen gevolgd door een regionalisering van de aangifte. Maar uitstel betekent geen afstel. De aangifte per gewest is een feit en dat is een goede zaak. Voor de papieren aangiftes verkleint de kans op (materiële) vergissingen enorm. Voor de taxonweb-aangifte maakt het niet zoveel uit. Die aangifte liet sowieso al enkel het gebruik van de juiste gewestcodes toe. In ieder geval is de aangifte heel wat overzichtelijker. Nu maar hopen dat de juiste aangifte bij de juiste personen terecht komt.

Jef Wellens,

Fiscaal jurist Wolters Kluwer

  5011