Kamer stemt nieuw wetgevend kader voor de organisatie bedrijfsrevisoren

De plenaire vergadering van de Kamer heeft op 24 november 2016 het ‘Wetsontwerp tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren’ gestemd. De nieuwe wet is het sluitstuk van een door de Europese Commissie gelanceerde audithervorming die in 2014 resulteerde in een verordening en een richtlijn.

Zowel de verordening, die specifiek van toepassing is op de commissarismandaten van de bedrijfsrevisoren bij Organisaties van Openbaar Belang (OOB’s, zoals banken, verzekeringsinstellingen en beursgenoteerde vennootschappen), als de richtlijn, die geldt voor alle auditors, wijzigden de voorschriften voor het beroep.

De bedoeling van Europa was om via diverse maatregelen de onafhankelijkheid van de auditor te versterken en zodoende de kwaliteit en het informatiegehalte van de controleverslagen en de betrouwbaarheid van de jaarrekeningen te verhogen, in het belang van alle stakeholders. “Nu België deze Europese regels ook in zijn wetgeving heeft overgenomen, zijn de bedrijfsrevisoren ervan overtuigd dat ze hun rol van vertrouwenspartner in het maatschappelijk verkeer met nog meer overtuiging zullen blijven spelen. Het IBR steunt dan ook ten volle deze audithervorming”, aldus de voorzitter van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren (IBR), Thierry Dupont.

Welke zijn de grote lijnen van de hervormingen in België?

Versterking van de onafhankelijkheid van de commissaris. Voor de uitoefening van het commissarismandaat gelden voortaan nog strengere onafhankelijkheidsregels. Zo komt er bij de OOB’s een verplichte ‘externe rotatie’ van de commissaris na negen jaar met de mogelijkheid om te verlengen tot achttien jaar (indien de OOB een openbare aanbesteding doet) of zelfs tot vierentwintig jaar (in het geval de mandaten in een college worden uitgevoerd).

Nog in het kader van de onafhankelijkheidsvereisten blijft de bestaande lijst van zeven verboden niet-controlediensten onverkort van kracht voor alle commissarissen. Voor commissarissen van OOB’s worden er vijf toegevoegd. Als algemene regel voor de niet-controlediensten geldt dat een geleverde dienst nooit de onafhankelijkheid van de commissaris in het gedrang mag brengen.

Een meer informatieve controleverklaring. De structuur en de inhoud van de controleverklaring, de hoeksteen van de communicatie inzake de wettelijke controle van een commissaris, wordt op meerdere punten aangepast, met als meest opvallende wijziging, de verplichte vermelding van de zogenaamde ‘Kernpunten van de audits’ voor de OOB’s , waarin een beschrijving wordt gegeven van de als meest significant ingeschatte risico’s op een afwijking van materieel belang, met inbegrip van deze als gevolg van fraude.

Een nieuw publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren.  Het derde grote luik van de audithervorming betreft een versterking van het publiek toezicht op het beroep. De verantwoordelijkheid voor de kwaliteitscontrole van en het toezicht op de bedrijfsrevisoren wordt verplaatst van de sinds 2007 door de wetgever geïnstalleerde ‘Kamer van Verwijzing en Instaatstelling’ naar een nieuw ‘College van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren’. Het College zal als hoofdtaak hebben om alle bedrijfsrevisoren te onderwerpen aan een kwaliteitscontrole. Het IBR zal niet meer tussenkomen bij het publiek toezicht, niettegenstaande het College voor de kwaliteitscontrole op de revisoren van niet-OOB’s nog beroep zal kunnen doen op revisoren.  De vroegere tuchtrechtelijke bevoegdheid gaat naar de bestaande Sanctiecommissie van de FSMA, die daartoe een afzonderlijke kamer zal oprichten.

Een Instituut ten dienste van het beroep

 

Aan de normatieve bevoegdheden wordt weinig gewijzigd. De Hoge Raad voor de Economische Beroepen (HREB) en de minister bevoegd voor Economie blijven de eindverantwoordelijken voor alle beroepsnormen en -aanbevelingen. Het IBR behoudt hier zijn initiatiefrecht en adviesrol. Dat betekent onder andere dat het IBR nieuwe normen en aanbevelingen mag blijven voorstellen en via adviezen en mededelingen de auditdoctrine mag blijven ontwikkelen.

Verder blijft het IBR ook bevoegd voor het bijhouden van het openbaar register, de toekenning en intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor, de permanente vorming en de organisatie van de toegang tot het beroep (stage).

De nieuwe wet treedt uiterlijk op 31 december 2016 in werking en kan nagelezen worden op de website van de Kamer.

Gepubliceerd op 30-11-2016

  575