Geen fiscale aftrekken meer in economisch ‘abnormale’ omstandigheden

Gepubliceerd op 25-06-2019

Een voordeel dat is verkregen bij een verrichting die louter gebeurt met fiscale motieven, is ‘abnormaal’ in de zin van artikel 207, lid 7 WIB 92, zelfs als de verrichting at arm’s length is. En op het deel van de winst dat bestaat uit zulke voordelen, mogen geen aftrekken toegepast worden. Daarmee maakt het Hof van Cassatie van artikel 207 een echte antimis­bruikbepaling en plaatst het de economische realiteit centraal. In dit geval impliceert die redenering dat de fiscus de notionele interestaftrek mag verwerpen bij een onderneming die speciaal naar België gekomen was om gebruik te maken van die maatregel. In die zaak, die al ruime mediabelang­stelling gekregen had, had het hof van beroep nog in tegenovergestelde zin geoordeeld.

Ook al is de notionele interestaftrek na de hervorming van de vennootschapsbelasting het grootste deel van zijn pluimen kwijtgeraakt en ook al bevat het wetboek ondertussen nieuwe bepalingen om de handel in fiscale verliezen te ontmoedigen, het signaal is duidelijk. Wil een onderneming, volgend op een reorganisatie of een – per hypothese – arms’ length-intragroepstransactie, verliezen en andere aftrekken (bv. de nieuwe groepsbijdrage of DBI-aftrek) compenseren met winsten, dan zal die zich er ook van moeten verzekeren dat de gehele transactie aan de economische realiteit beantwoordt en geen zuiver fiscale doelstelling dient.

Dat betekent allicht ook meer werk voor de rulingdienst…

Meer over het arrest van het Hof van Cassatie van 24 mei 2019 leest u in het artikel van Tom Jansen in Fiscale Actualiteit.

 

 

  312