Aanpassing vrijstelling meerwaarden op aandelen

Gepubliceerd op 30-01-2018

De hervorming van de vennootschapsbelasting maakt een einde aan de vrijstelling van meerwaarden op aandelen voor kleine participaties. Daardoor stijgt het belang van zogenaamde dbi-beveks, waarvoor de participatievoor­waarde niet geldt en de meerwaardevrijstelling dus overeind blijft ook voor beperkte participaties. Het fiscale regime van aandelen van dergelijke fond­sen blijft echter op verschillende punten onduidelijk. Gelukkig komt aan één oude betwisting een einde: in de marge van de hervorming verwerpt de rege­ring de ‘alles of niets’-benadering van de fiscus als het gaat om de vrijstelling van meerwaarden op aandelen van een beleggingsvennootschap. Ook enkele recente rulings hebben nog preciseringen aangebracht.

Voor de hervorming

Tot vóór de hervorming van de vennootschapsbelasting waren meerwaarden op aandelen in de vennootschapsbelasting niet belastbaar op voorwaarde dat de aandelen minstens één jaar in bezit waren én dat de eventuele inkomsten van de aandelen in aanmerking kwamen om als definitief belaste inkomsten van de winst te worden afgetrokken (artikel 192 § 1 lid 1 WIB92, alleen voor de in artikel 45 § 1 lid 1 1° bedoelde meerwaarden bij her­structureringen werd die voorwaarde niet gesteld). Niet alle ‘dbi-voorwaarden’ waren dus van toepassing: de dividenden van de betrokken aandelen hoefden niet te voldoen aan de participatiedrempel. Oud artikel 192 WIB92 verwees immers alleen naar artikel 202, § 1 en 203 (en niet naar artikel 202 § 2 WIB92). Voor de vrijstelling van de meerwaarden was het dus enkel vereist dat voldaan werd aan de ‘taxatievereiste’ (‘kwalitatieve voor­waarde’) van het dbi-regime en aan de voorwaarde dat de aandelen minstens één jaar in volle eigendom gehouden moeten zijn.

Vanaf 1 januari: ook participatievoorwaarde respecteren

Sinds 1 januari 2018 worden de voorwaarden voor de vrijstelling van meerwaarden op aandelen volledig afgestemd op die voor de dbi-aftrek. Het (nieuwe) artikel 192, lid 1 WIB92 is voortaan immers van toepassing “in de mate dat de eventuele inkomsten van deze aande­len in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202 [volledig] en 203 WIB92 van de winst te worden afgetrokken”. Dat houdt in dat de meerwaarden maar vrijgesteld worden van vennootschapsbelasting als er ook voldaan wordt aan de zgn. participatievoorwaarde uit het dbi-stelsel. De participatie moet minstens 10 % van het kapitaal bedragen ofwel een aanschaf­fingswaarde van minstens 2,5 miljoen euro hebben.

Beleggingsvennootschappen: geen participatie- of permanentievoorwaarde

  1611