Taxlift

Gepubliceerd op 02-10-2018

Bij het overlopen van een belastingafrekening krijg ik weleens de vraag: “Hoe, en de taxshift dan?” Niet zozeer omdat het bedrag op het biljet naast het ‘resultaat van de berekening’ tegenvalt, maar vanwege het percentage net eronder, de ‘gemiddelde aanslagvoet’, dat voor velen als een indicatie geldt van de gemiddelde belastingdruk. Bij de meeste belastingbetalers is die gemiddelde aanslagvoet sinds 2017 opvallend hoger dan de jaren ervoor. Hoe valt dat te rijmen met de taxshift?

De gemiddelde aanslagvoet staat prominent op het aanslagbiljet. Een heleboel inkomsten wordt niet belast tegen het normale belastingtarief (van maximaal 50%) maar tegen het gemiddelde tarief (doorgaans tussen 25 en 35%), om de progressiviteit van de personenbelasting te doorbreken. Het gaat dan over minder alledaagse inkomsten. Denk aan opzeggingsvergoedingen en achterstallige lonen en pensioenen: die worden belast tegen de gemiddelde aanslagvoet van een vorig aanslagjaar. Maar denk ook aan vervroegd vakantiegeld, achterstallige onderhoudsuitkeringen en sommige decemberwedden van ambtenaren: die worden belast tegen het gemiddelde tarief van het lopende aanslagjaar.

lift

Bij de jongste staatshervorming is beslist voor de berekening van dat gemiddelde tarief plots geen rekening meer te houden met de geregionaliseerde Vlaamse, Waalse en Brusselse belastingverminderingen, maar enkel met de federale belastingverminderingen. Doe je giften of uitgaven voor kinderopvang, of doe je aan pensioensparen, dan drukt dat nog de gemiddelde aanslagvoet en dus de belasting op achterstallen en opzeggingsvergoedingen. Maar koop je dienstencheques of betaal je je Vlaamse woonbonuslening af, dan verlaagt dat, in tegenstelling tot vroeger, het gemiddelde tarief niet meer.

 

Dat verklaart de stijging van de gemiddelde aanslagvoet op de meeste belastingberekeningen sinds het aanslagjaar 2017. Terwijl de taxshift in de eerste plaats betrekking heeft op de inkomsten die tegen het normale progressieve belastingtarief worden belast, verhoogt de staatshervorming wel degelijk de belasting op opzeggingsvergoedingen, achterstallen en andere inkomsten die belast worden tegen het gemiddelde tarief.

De federale wetgever heeft tot die taxlift beslist omdat hij wil vermijden dat gewestelijke belastingregels een impact hebben op de federale belastingberekening, waartoe bijvoorbeeld de belasting op opzeggingsvergoedingen behoort. Dat wel toelaten zou, hoewel het niet bij wet verboden is, volgens hem een ongrondwettelijke discriminatie zijn. De Vlaamse woonbonus en de Waalse wooncheque moeten worden geweerd uit de berekening van de gemiddelde aanslagvoet, omdat een Brusselaar voor zijn woonkrediet geen fiscaal voordeel meer krijgt, luidt de redenering. Maar is dat discriminatie? Iedereen kiest vrij zijn fiscale woonplaats en het is nu eenmaal eigen aan een belastingvermindering, ongeacht of je ervoor in aanmerking komt, dat ze de gemiddelde aanslagvoet drukt. Bovendien gooit de federale wetgever zijn basisaxioma zelf te pas en te onpas overboord. Zo laat hij wel toe dat gewestelijke belastingregels een impact hebben op de federale belastingberekening voor de bepaling van de federale fiscale voordelen voor hypotheken en de aanrekening van gezinslasten op de inkomsten van getrouwde koppels. Het is dus allesbehalve een zaligmakend axioma. Daarom belet niets het ook hier opnieuw ter discussie te stellen.

  723