Gemiste kans

Gepubliceerd op 06-02-2019

Voor werknemers blijft een groepsverzekering of een ander bedrijfspensioenplan een van de aanlokkelijkste extralegale voordelen. Vanzelfsprekend is die nog altijd niet. Een hoop werknemers moet het zonder stellen, of met een veeleer symbolisch aanvullend bedrijfspensioen, nauwelijks die naam waardig. Daar wil de federale regering wat aan doen. Als de werkgever niet voorziet in een degelijk aanvullend pensioen, moet de werknemer dat in zijn plaats kunnen doen. Daarom wordt het vanaf eind maart voor werknemers mogelijk in te tekenen op het gloednieuwe vrij aanvullend pensioen voor werknemers of afgekort VAPW.

Het VAPW is eigenlijk pensioensparen via de werkgever. De werknemer kan zijn werkgever vragen een VAPW-bijdrage in te houden op zijn loon en die door te storten naar de pensioeninstelling van zijn keuze. De werknemer bepaalt hoeveel hij betaalt, aan wie en waarin wordt belegd. De werkgever fungeert louter als doorgeefluik. Maar dat kan niet ongebreideld. De pensioenbijdrage is geplafonneerd. Maximaal kan 3 procent van het brutoloon worden ingehouden. Verdient de werknemer minder dan 53.333 euro bruto, dan kan hij jaarlijks toch minstens 1600 euro laten inhouden.

Voor werknemers die al een aanvullend bedrijfspensioen zoals een groepsverzekering of een pensioenfonds hebben, wordt de VAPW-bijdrage gecorrigeerd. Concreet wordt nagegaan hoeveel er twee jaar daarvoor gestort is in het bedrijfspensioenplan van de werknemer, om die storting af te trekken van de VAPW-bijdrage. Concreet: van een potentiële VAPW-bijdrage van 1600 euro dit jaar schiet maar 600 euro over als uw werkgever in 2017 al 1000 euro heeft bijgestort in uw lopende groepsverzekering.

Meteen wordt duidelijk dat het nieuwe stelsel niet voor alle werknemers bedoeld is, maar enkel voor werknemers met een laag tot gemiddeld loon die nog geen bedrijfspensioenplan hebben. Want naarmate het loon stijgt, en de kans groter wordt dat de werknemer al een bedrijfspensioen van enige omvang geniet, smelt de VAPW-bijdrage als sneeuw voor de zon.

Het uitgangspunt van het VAPW is dat de werknemer instaat voor zijn eigen aanvullend bedrijfspensioen. Onder dezelfde voorwaarden als wanneer zijn werkgever voor hem een groepsverzekering zou financieren, zou je denken. Maar dat klopt niet. Het VAPW wordt, net zoals een groepsverzekering, ingedeeld bij de aanvullende pensioenen van de tweede pijler, maar het is in feite een valse tweede pijler. Het VAPW geniet niet de lusten van de tweede pijler, maar wel de lasten.

Zo wordt de VAPW-bijdrage niet ingehouden op het bruto- maar op het nettoloon. Ze is dus niet aftrekbaar, zoals de werkgeversbijdrage in een groepsverzekering dat wel is. Ze geeft recht op een belastingvermindering tegen 30 procent. Dat is lager dan het marginale tarief van 45 of 50 procent, wanneer de bijdrage zou worden ingehouden op het brutoloon. Bovendien is op de bijdrage 4,4 procent premietaks verschuldigd.

En aan het eind van de rit betaalt u 10 procent belasting op het pensioenkapitaal dat in het nieuwe stelsel is opgebouwd. Dat kapitaal is ook nog eens onderworpen aan de gebruikelijke parafiscale lasten die de pensioenen van de tweede pijler kenmerken: een Riziv-bijdrage van 3,55 procent en een solidariteitsbijdrage die kan oplopen tot 2 procent. Extra heffingen die je niet hebt bij een aanvullend pensioen in de derde pijler, zoals het fiscaal sparen via een individuele levensverzekering of het klassieke pensioensparen.

Daarom heeft het niet zoveel zin een VAPW-bijdrage te laten inhouden op uw loon als u nog niet aan pensioensparen doet. Pensioensparen geeft een vergelijkbaar fiscaal voordeel, maar het heeft een lagere eindbelasting van slechts 8 in plaats van 10 procent en geen extra heffingen. Het valt dus af te wachten of het nieuwe stelsel aanslaat, want fiscaal is het niet de eerste keus. En dat is een gemiste kans.

 

Jef Wellens in Trends

  585