Cash (f)or car

Gepubliceerd op 12-11-2018

De lente bracht de mobiliteitsvergoeding. De herfst brengt het mobiliteitsbudget. Meer van hetzelfde, maar toch weer anders. Beide fiscale maatregelen lopen parallel en streven min of meer hetzelfde na: minder vervuilende bedrijfswagens op onze wegen. Met de mobiliteitsvergoeding kunnen werknemers hun bedrijfswagen inruilen tegen extra loon. Het is zwart of wit. Ofwel een firmawagen, ofwel cash, waarmee de werknemer dan zelf een wagen of een ander vervoermiddel financiert. Als dat extra loon als een gewone loonsverhoging wordt belast, houdt u netto niet veel over en is geen kat geïnteresseerd in zo’n ruil. Daarom wordt niet het werkelijke bedrag van de mobiliteitsvergoeding belast, maar betaalt u belasting op een lager forfaitair bedrag.

De wetgever doet alsof de cashvergoeding een voordeel in natura is. Ruilt u bijvoorbeeld een dieselwagen met een cataloguswaarde van 46.000 euro – dat is de nieuwprijs inclusief btw en zonder kortingen – dan krijgt u elke maand een mobiliteitsvergoeding van 789 euro als u ook een tankkaart had, en 657 euro als u die niet had. Van dat extra loon wordt slechts een fractie, 131 euro, belast. Van uw maandelijkse vergoeding van 789 of 657 euro houdt u zo minstens 720 of 587 euro netto over. Maar daar moet u dan wel zelf uw woon-werkverkeer en andere privéverplaatsingen mee bekostigen. Wellicht daarom is de mobiliteitsvergoeding geen succes. Ook dat de werkgever én de werknemer vrijwillig moeten kiezen voor de mobiliteitsvergoeding – de een kan het niet eisen van de ander, noch het opleggen aan de ander – verklaart waarom de maatregel na enkele maanden niet uit de startblokken raakt.

Ook de raad van state uitte forse kritiek op de mobiliteitsvergoeding. Hij noemt de maatregel absurd, want cash wordt niet belast als cash; inefficiënt, want bedrijfswagens worden mogelijk vervangen door meer vervuilende tweedehandswagens; en discriminerend, want er is enkel een voordeel voor bezitters van een bedrijfswagen. Kortom: het is een slechte maatregel. Ook de federale regering besefte dat. Nog voordat de mobiliteitsvergoeding goed en wel aangenomen was, was er al een akkoord over een alternatief, het mobiliteitsbudget. Waarom werd de mobiliteitsvergoeding dan niet afgeblazen? Wel, zodra de wetgevingstrein vertrokken is, is die maar moeilijk te stoppen en wordt een wetsontwerp tegen beter weten in wet. Omwille van de politieke trofee, niet omwille van het hogere maatschappelijke belang.

En zo wordt de ‘vergoeding’ binnenkort aangevuld met het ‘budget’. Het mobiliteitsbudget heeft een andere insteek: de bedrijfswagen wordt in principe niet ingeruild tegen cash, maar tegen een kleinere, groenere bedrijfswagen (elektrisch of met minder CO2-uitstoot) in combinatie met andere duurzame vervoersmiddelen (zoals tickets voor het openbaar vervoer of een fiets). Kiest u zuinig, dan kunt u het restbedrag in cash uitbetaald krijgen. Op die cashvergoeding wordt wel een sociale bijdrage van 38,07 procent ingehouden.

Terwijl de mobiliteitsvergoeding forfaitair wordt bepaald op basis van de cataloguswaarde, is het mobiliteitsbudget het equivalent van de besparing die de werkgever realiseert als hij de bedrijfswagen niet meer hoeft te bekostigen. In ruil voor zijn bedrijfswagen, die de werkgever 750 euro per maand kost, krijgt de werknemer zo iedere maand een budget van 750 euro, dat hij vrij kan spenderen aan een groenere wagen, andere duurzame vervoersmiddelen, cash of een combinatie van die drie. Het is zelfs mogelijk het budget te besteden aan de intresten van een lening voor een woning dicht bij het werk.

Maar het is nog de vraag of het mobiliteitsbudget meer succes zal hebben dan zijn voorganger. De maatregel is al even vrijblijvend: geen budget, tenzij de werkgever het op eigen initiatief invoert én de werknemer er uitdrukkelijk voor kiest. En hoewel het niet de bedoeling is, kan ook het mobiliteitsbudget volledig in cash worden uitbetaald, zodat het de facto een mobiliteitsvergoeding wordt, zij het onder een parafiscaal minder gunstig gesternte. Met andere woorden: de mobiliteitsvergoeding schiet haar doel voorbij, en het mobiliteitsbudget riskeert dat ook te doen. Maar we leven op goede hoop.

 

Jef Wellens, Trends

 

  617