Ook tijdens coronacrisis ontvangen belastingplichtigen vragen om inlichtingen inzake internationale gegevensuitwisseling

Gepubliceerd op 29-04-2020

Controles ter plaatse en grote controleacties zoals TP-audits staan op een lager pitje tijdens de coronacrisis. De laatste weken bleek evenwel dat verschillende belastingplichtigen toch vragen om inlichtingen ontvingen van de fiscus in verband met gegevens die vanuit het buitenland ontvangen werden. Gertjan Verachtert (vennoot Sansen International Tax Lawyers) licht toe.

Waarover gaat het?

De klassieke vragenbrief van de fiscus in verband met buitenlandse tegoeden is ondertussen redelijk gekend. Het doel van de fiscus is om Belgische belastingplichtigen te identificeren die een buitenlands vermogen voor de Belgische fiscus hebben. Dit is op zich logisch, wetende dat het net zich stilaan sluit en rekening houdend met het feit dat nu toch al enkele jaren aan de fiscale zondaars de kans wordt geboden om zich (via een specifieke regularisatiemogelijkheid) opnieuw in regel te stellen. Uiteraard mag het hebben van een buitenlands vermogen op zich, evenwel geen aanleiding geven tot verdachtmaking.

Heel wat belastingplichtigen werden begin april opnieuw geconfronteerd met deze vragen om inlichtingen. De vragen zijn het gevolg van de informatie die de Belgische administratie ontving in september 2018 in het kader van de automatische internationale gegevensuitwisseling. Die automatische internationale gegevensuitwisseling vindt plaats via ‘Common Reporting Standard’ (CRS) of de EU-variant ervan, op basis waarvan tal van financiële informatie automatisch over de grenzen heen uitgewisseld wordt. Door deze CRS kan de fiscale Administratie gemakkelijk alle buitenlandse vermogens van belastingplichtigen in kaart te brengen. Hiervan maakt de administratie ook tijdens crisistijden gebruik van om vragen om inlichtingen te stellen en zo niet-aangegeven belastbare materie te ontdekken.

Welke vragen?

De administratie vraagt onder meer volgende zaken:

  • een overzicht van de buitenlandse financiële rekeningen bij de verschillende financiële instellingen;
  • een overzicht van transacties en de saldi op deze rekeningen;
  • of deze rekeningen al dan niet werden gebruikt voor professionele doeleinden;
  • een overzicht van de afgesloten levensverzekeringen in het buitenland;
  • een overzicht van buitenlandse rekeningen die voor het beheer van onroerend goed werden gebruikt.

Opvallend is dat deze uitgebreide vragenlijst ook bezorgd wordt als belastingplichtigen bijvoorbeeld geen buitenlands vastgoed of levensverzekeringscontract hebben. Meer algemeen kan de vraag worden gesteld of deze vragen niet te gedetailleerd zijn geformuleerd. Hier wringt dan ook het schoentje: sommige vragen in het algemeen en onderdelen ervan, zijn fiscaal niet relevant. Nochtans moet de fiscus deze vereiste in achtnemen bij het stellen van vragen om inlichtingen in de inkomstenbelasting. Door verder bijvoorbeeld ook te vragen naar transacties op de rekeningen, dreigt een inbreuk op het recht op privacy van belastingplichtigen.

Hoe antwoorden?

Wanneer een vraag om inlichtingen wordt ontvangen naar aanleiding van de gegevensuitwisseling via de CRS-fiche, is het belangrijk dat de belastingplichtige nakijkt welke informatie de fiscus al over hem heeft. Belastingplichtigen kunnen – onder voorwaarden – inzage vragen in hun fiscale dossier. Echter, voor de fiches in verband met gegevensuitwisseling is het aangeraden dat belastingplichtigen ook hun portaal op MyMinfin nagaan. Hier bevindt zich normaal de tekst van de gevraagde gegevens.

Na controle van de CRS-fiche, moet de belastingplichtige de vraag om inlichtingen beantwoorden. Hier ontstaat een moeilijke balans tussen de fiscale medewerkingsplicht en het recht op privacy. Op grond van artikel 316 van het Wetboek van de Inkomstenbelasting 1992 (WIB 1992) is de belastingplichtige verplicht om alle inlichtingen te geven die van hem worden gevraagd in het onderzoek naar zijn fiscale toestand. Hieruit volgt een wettelijke meewerkingsplicht aan het fiscale onderzoek. Anderzijds is het recht op de eerbiediging van het privéleven overeenkomstig – onder meer - artikel 8 EVRM ook van toepassing in fiscale zaken. Op vraag van de toenmalige Privacycommissie wordt dit recht op privacy enigszins gewaarborgd in het WIB dat bepaalt elke ambtenaar van de FOD Financiën alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen mag vragen.

Wanneer de vraag om inlichtingen een geoorloofde inmenging op het recht van het privéleven uitmaakt, kan het algemene redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel soelaas bieden. Een vraag om inlichtingen zal een schending van deze beginselen uitmaken wanneer het beantwoorden van de vraag om inlichtingen een ongehoord groot verlies aan tijd en geld meebrengt. Uiteraard moet dit beoordeeld worden in functie van de concrete feiten. In sommige situaties kan daarbij overwogen worden een pretaxatiegeschil te starten, maar voor bepaalde belastingplichtigen zal dit net een risico op tijd- en geldverlies inhouden. Minstens is het aangewezen het eigen antwoord te beperken in licht van de fiscaal relevante gegevens, die zullen blijken uit de CRS-fiches.

In bepaalde gevallen volstaat een fiscaal jaaroverzicht van de financiële instelling. Een belastingplichtige die deze verzachting wordt toegestaan, heeft aanzienlijk minder werk. Hoewel nuttig voor bepaalde belastingplichtigen kan worden afgevraagd wat de grondslag van dit onderscheid is en of aan alle belastingplichtigen in concreto dezelfde verzachting krijgen.

internationale_gegevensuitwisseling

Wanneer antwoorden?

De belastingplichtige moet de vraag om inlichtingen beantwoorden binnen de termijn van één maand, die begint te lopen vanaf de derde werkdag na de verzending. Die termijn kan worden verlengd om wettige redenen, bijvoorbeeld wanneer een uitvoerige opzoeking vereist is om te kunnen antwoorden.

De vragen om inlichtingen die werden gestuurd tijdens de coronacrisis vermelden uitdrukkelijk dat de administratie zich bewust is van de moeilijkheden en dat een verlenging van de antwoordtermijnen kan worden gevraagd. In de praktijk wordt vastgesteld dat de administratie zich inschikkelijk opstelt bij een verlenging van de antwoordtermijn van de vraag om inlichtingen.

Snel regulariseren of te laat?

  363