Hoe groot is de impact van de kaaimantaks vijf jaar na invoering?

Gepubliceerd op 02-09-2020

In 2015 voerde de federale regering een nieuw belastingregime in, de doorkijkbelasting, die de inkomsten van een juridische constructie belast in hoofde van haar oprichter alsof die inkomsten door de oprichter zelf zijn behaald. Die doorkijkbelasting kennen we sindsdien als de zogenaamde ‘kaaimantaks’. Vijf jaar na de invoering van dit aanslagstelsel stellen wij Gertjan Verachtert, co-editor en één van de auteurs van het boek ‘Kaaimantaks: panta rhei’, enkele vragen over de gevolgen van de kaaimantaks op de vermogensplanning, het internationaal ondernemen, de fiscale procedure en de beleggingsfiscaliteit.

Moeten tools zoals (de combinatie van) de Nederlandse Stichting Administratiekantoor (STAK) en (burgelijke) maatschap (BM), gemeld worden in de aangifte personenbelasting?

Ja, alvast de Dienst Voorafgaande Beslissingen is die mening toegedaan en legt de verplichting op om bij de aangifte personenbelasting een jaarrekening van zowel de STAK als de maatschap toe te voegen. Door de laatste wijzigingen aan de kaaimantaks zal een Nederlandse Stak, zonder combinatie met een maatschap, ook gerapporteerd moeten worden.

Heeft dit een invloed op de belastingheffing?

Traditioneel worden (familiale) maatschap en STAK fiscaal transparant behandelt. Ook de kaaimantaks voorziet een fiscale transparantie, maar koppelt hieraan een complex taxatieregime voor uitkeringen. Naar verluidt zou de administratie de fiscale transparantie ook blijven toepassen bij ontvangst en uitkering van inkomsten door de STAK (of gecertificeerde maatschap) binnen hetzelfde jaar, wat doorgaans het geval zal zijn vermits die aldus voorzien is in de adminsitratievoorwaarden. De tekst van de wet stelt hier mogelijk echter problemen.

Geven buitenlandse ‘juridische constructies’ die niet of aan een lage afzonderlijke belastingheffing onderworpen zijn, niet steeds aanleiding tot misbruik?

Neen. Het toepassingsgebied van de kaaimantaks is bijzonder ruim omschreven. Maar dit betekent niet dat er geen situaties denkbaar zijn waarin een buitenlandse ‘juridische constructie’ niet of aan een lage afzonderlijke belastingheffing onderworpen is, zonder dat dit aanleiding moet geven tot enig (fiscaal) misbruik. Zo kan gedacht worden aan ondernemers die bona fide aandeelhouder zijn van een buitenlandse vennootschap, de welke lokaal of in de ruimere regio bijvoorbeeld wel economische activiteiten ontwikkelt. Hetzelfde geldt voor bepaalde patrimoniale vermogensstructuren. Ook in kader van investeringen (private equity) komen we geregeld in aanmerking met de kaaimantaks, doordat investeerders gebundeld worden via vehikels in Angelsaksische jurisdicties.

Doordat voortdurend de Belgische vennootschapsbelasting als benchmark geldt, zullen ondernemers veiligheidshalve vaker kiezen voor een buitenlandse vennootschap als dochter van een Belgische vennootschap (waar geen kaaimantaks geldt, doch wel rekening gehouden moet worden met CFC-bepalingen). Voor bestaande vennootschappen is het wel aangewezen om jaarlijks na te gaan of de vennootschap in het buitenland wel voldoende belast is, vermits dit aanleiding kan geven tot een meldplicht in de personenbelasting. Indien die meldplicht niet nageleefd wordt, kan de fiscus een boete opleggen.

Enerzijds is er de meldingsplicht voor kwalificerende entiteiten, anderzijds zien we meer en meer gegevensuitwisseling in de praktijk. Wat zijn hier de tendensen op vlak van taxatie?

Voor de aanslagprocedure zijn er eigenlijk geen bijzondere opmerkingen aangaande de kaaimantaks. De kaaimantaks volgt de gewone regels bij inkohiering, met name doordat bij wijze van fictie gedaan wordt alsof de inkomsten rechtstreeks verkregen waren. Er is dus bijvoorbeeld geen aparte code voorzien in het aangifteformulier personenbelasting.

Inzake de aanslagtermijnen is een bijzonderheid uiteraard de invoering van de ‘10-jarige aanslagtermijn’ van toepassing wanneer ‘gebruik wordt gemaakt van juridische constructies die ertoe strekken de herkomst of het bestaan van het vermogen te verhullen’. De bijzondere aanslagtermijn voor gegevens uit het buitenland is behouden op 24 maanden vanaf ‘de datum waarop de Belgische administratie kennis draagt van de inlichtingen’ uit het buitenland.

Structuren die traditioneel via buitenlandse (partnership) vehikels georganiseerd worden, komen vaker op de radar en in aanmerking voor de kaaimantaks. Wat zijn de gevolgen voor de meldplicht en (transparante) taxatie?

Wanneer men nalaat een juridische constructie te melden, is een boete van 6.250 euro verschuldigd per niet-gemelde constructie. Deze sanctie geldt ook voor de buitenlandse partnership vehikels. Met deze bijzondere administratieve boete wil de wetgever de nadruk leggen op de noodzaak van het naleven van de informatieverplichtingen via de aangifte van de juridische constructies. Die meldplicht kan dan eventueel een aanleiding zijn tot verdere vermogensonderzoeken.

Tot slot. Voor (Europese) kaaimanstructuren zal daarnaast ook het UBO-register een belangrijke rol gaan spelen. Het lijkt logisch dat de administratie, op grond van de mogelijkheden tot internationale uitwisseling van gegevens, specifiek voor vermogensonderzoeken, ook zal trachten om bijkomende informatie via de buitenlandse UBO-registers in te winnen.

De kaaimantaks: panta rhei

  192